Hoofdstuk 1: inleiding (organisaties & organisatieleer)
→ heeft heel veel raakvlakken, zoals sociologie, psychologie, agogiek,
recht, economie …
Organisaties = zijn in hun essentie doelgerichte samenwerkingsverbanden
van mensen
Kenmerken:
- hebben een doestelling voor ogen
- verhouden zich tot een omgeving
- bezig met een vorm van productie
- hebben een vorm van structuur
- aanwezigheid van leiderschap
- bestaan uit mensen
Is een gezin een organisatie? ---> NEE (ze hebben geen doel)
Organisaties kunnen opgedeeld worden in diverse categorieën: doel,
juridische vorm & bestuur, schaalgrootte …
- “Mutual benefit organizations” zijn gericht op leden. Dan denken we aan
politieke partijen, vakbonden, beroepsverenigingen …
- “Business concerns” zien klanten meer als middel dan als doel, en zijn
gericht op het belang van de organisatie zelf. De meeste
profitondernemingen vallen onder deze categorie
- “Service organizations” zijn gericht op het verlenen van diensten aan
directe klanten. Ziekenhuizen en scholen vallen onder deze categorie.
- “Commonweal organizations” staan ten dienste van het brede publiek.
Onder deze noemer vallen bijvoorbeeld politie, lokale overheden en
ministeries.
Kijken naar organisaties
Organisaties zijn er altijd geweest
Organisatieleer (het bestuderen van het gedrag van organisaties, de
factoren die dit gedrag veroorzaken en hoe deze organisaties het meest
doeltreffend bestuurd kunnen worden) is echter een vrij nieuwe
wetenschap
,Ontstaan ervan loopt gelijk met moderniteit (evolueert mee met
veranderende tijdsgeesten en inzichten)
• Voor 1800: ambachten en gilden
• Belang van traditie
• Onafhankelijkheid van ambachtslieden, geen personeel
• Eerste Industriële Revolutie tussen 1760 en 1830.
• Stoommachine breng kentering teweeg in arbeid
• Ontstaan van bedrijven
• Vanaf het einde van de 19e eeuw : aandacht voor
organisatiekunde en theorieën hierover. Deze zijn in 4
stromingen te delen.
• Scientific management
• Human relations benadering
• Revisionisme
• Open systeem model
Organisatie als een machine: scientific managment
- Eind 19e eeuw tot 1935
= Op een wetenschappelijke wijze vorm geven aan (het aansturen van)
bedrijfsprocessen
Gebaseerd op militair model
- Taylor als belangrijkste exponent van deze stroming.
Streven naar efficiency stond voorop.
De lopende band werd in deze periode uitgevonden
de mens werd een verlengstuk van de machine.
mens is een rationeel wezen was die alleen gemotiveerd werd van
geldprikkels.
Focus:
Efficiëntie
Arbeidsdeling
Command en control
Processen ontwerpen
,Organisatie als sociaal construct: human-relations-beweging
- De periode van circa 1935 tot circa 1955
- Hawthorne experimenten : belang van sociale aspecten. Door ook
aandacht te schenken aan de sociale verhoudingen binnen de organisatie
kon meer succes behaald worden.
- Groeiende aandacht voor de ‘sociale mens’: humanistische perspectief
- Organisaties waren in deze periode nog gesloten systemen.
Door beperkte omgevingsinvloeden
schaarste nog groot was op de economische markt.
Focus:
impact van sociale context
organisatie als behoefte- en ambitie-vervullend: revisionisme
- De jaren ’60
- probeerde het scientific management en de human-relations benadering
te combineren.
Van economische en sociale behoeften naar ontplooingsbehoefte (A.
Maslow)
Taakverrijking en motivatie staan centraal
Medewerkers: van kostenpost naar “menselijk kapitaal”
- Systeemdenken
Medezeggenschap en delegatie
Focus:
Behoeften
Motivatie
, De organisatie als complex systeem: open systeem model
- De jaren ’80 (in ontwikkeling sinds jaren ’60)
- de organisatie als een systeem dat zonder de omgeving niet kan
functioneren. Tussen omgeving en de organisatie vindt interactie plaats,
omdat de organisatie een systeem is.
- Stijgend belang van technologie en globalisering
- Meer samenwerking
Focus:
Strategie
Samenwerken
Leren en ontwikkelen
En nu?
- Welzijn op het werk
- Belang van communicatie
- “war for talent”: verpleegkundigen, ICT, … én sociaal werkers!
- Meer en meer aandacht voor duurzaamheid
Duurzame economie én duurzame loopbanen
- VUCA-omgeving (Volatile, uncertain, complex, ambiguous)
Nood aan flexibilisering
- Generaties op de werkvloer (“millenials”, “Gen Z”, “Gen Alpha”, …)