De visie van Emmanuel Levinas stelt dat ethiek geen abstracte theorie is, maar
een relationeel gebeuren dat begint bij de ontmoeting met de andere mens.
Hieronder volgt een uitleg van zijn kernconcepten:
De basis van de ethiek ligt in de face-to-face ontmoeting. Dit is het moment
waarop je de ander werkelijk ziet, waarbij de ogen fungeren als de spiegels van
de ziel. In deze ontmoeting wordt de alteriteit van de ander duidelijk: de ander
is "onherleidbaar anders", vreemd en onbekend. Je kunt de ander niet volledig
begrijpen of inpassen in je eigen denkkaders; dit proberen te doen noemt Levinas
"totalitair".
Wanneer de ander aan je verschijnt, spreekt Levinas over de epifanie van het
gelaat. Dit is de openbaring of ontsluiting van de ander als een kwetsbaar en
weerloos wezen. Dit gelaat van de ander "overvalt" ons en doorbreekt onze
natuurlijke zelfgenoegzaamheid.
Het zien van dit kwetsbare gelaat vormt een ethisch appel: een dringende
oproep die van de ander uitgaat naar jou. Je wordt letterlijk geraakt door de
ander, wat het begin is van de zorgrelatie.
In deze relatie fungeert de zorgverlener als homo respondens (de
antwoordende mens). Hoewel je vrij bent in hoe je reageert, is het onmogelijk om
het appel te negeren; zelfs niet-reageren is een vorm van antwoorden. Dit is de
kern van ver-antwoord-elijkheid: het is een relationeel begrip waarbij jij
aangesproken wordt om een antwoord te bieden op de nood van de ander.
Levinas beschrijft een fundamentele wending in hoe we naar
verantwoordelijkheid kijken. Het gelaat van de ander werkt als een ethisch
imperatief (een dwingende opdracht) die de focus verlegt:
VAN: De eerste persoon ("Ik"): "Ik neem mijn verantwoordelijkheid op".
NAAR: De tweede persoon ("Jij"): "Ik word door de hulpvrager
verantwoordelijk gesteld".
Niet het 'ik' is het vertrekpunt, maar de ander die mijn bestaan binnenbreekt en
mij oproept tot actie.
Levinas onderscheidt 4 fasen in het mens-zijn die de ontwikkeling van het
individu beschrijven:
1. Het "Il y a": Het anonieme 'er is'.
2. De hypostase: De verzelfstandiging van het individu.
3. Het totaliseren: Het ik dat alles naar zichzelf toetrekt en de ander als
object ziet.
4. De ommekeer/bekering: Het moment waarop het ik uit het centrum
stapt en zich richt op de ander.