Written by students who passed Immediately available after payment Read online or as PDF Wrong document? Swap it for free 4.6 TrustPilot
logo-home
Document preview thumbnail
Preview 4 out of 37 pages
Summary

Samenvatting Leereenheid 1 Overeenkomstenrecht | Open Universiteit | 2026/27

Document preview thumbnail
Preview 4 out of 37 pages

Studiemateriaal voor Leereenheid 1 van het vak Overeenkomstenrecht (RS0002) in de pre-master Rechtsgeleerdheid aan Open Universiteit. Het document behandelt de fundamentele concepten van verbintenissenrecht, de bronnen van verbintenissen, onderscheid tussen eenzijdige en meerzijdige rechtshandelingen, en de categorisering van overeenkomsten (benoemd, onbenoemd en gemengd). Essentieel voor het begrijpen van de basis van contractenrecht en ideaal voor examenvoorbereiding op dit kernonderwerp van het vermogensrecht.

Content preview

Leereenheid 1 – inleiding overeenkomstenrecht
Voorkennis
Het vermogensrecht is in het BW opgenomen in de boeken 3-8. Het vermogensrecht wordt
traditioneel onderverdeeld in het goederenrecht (boeken 3 en 5) en het verbintenissenrecht (boeken
3, 6,7 en 8). Het BW geeft geen definitie van het rechtsbegrip verbintenis. Een gangbare definitie is:
een vermogensrechtelijke rechtsbetrekking tussen twee of meer personen op grond waarvan een
partij (de schuldeiser of crediteur) tot een bepaalde prestatie gerechtigd is en de wederpartij (de
schuldenaar of debiteur) tot die prestatie verplicht is.

De wet verbindt aan het bestaan van verbintenissen ingrijpende rechtsgevolgen, namelijk de
bevoegdheid van de schuldeiser om nakoming van de verbintenis in rechte af te dwingen (art. 3:296
BW) en de bevoegdheid van de schuldeiser om na een veroordelend vonnis zijn vordering op alle
goederen van zijn schuldenaar te verhalen (art. 3:276 BW). Verbintenissen kunnen slechts ontstaan,
indien dit uit de wet (art. 6:1 BW) voortvloeit (dan wel passend in het stelsel van de wet en
aansluitend bij wel in de wet geregelde gevallen, HR 30 januari 1959, NJ 1959, 548 (Quint-Te Poel)).
Een natuurlijke verbintenis is een rechtens niet-afdwingbare verbintenis (art. 6:3 lid 1 BW). De
schuldeiser van een natuurlijke verbintenis kan derhalve geen gebruikmaken van art. 3:296 BW.

De belangrijkste bron van verbintenissen is de verbintenis scheppende (obligatoire) overeenkomst
(art. 6:213 BW). Andere bronnen van verbintenissen zijn onrechtmatige daad (art. 6:162 BW),
zaakwaarneming (art. 6:198 BW), onverschuldigde betaling (art. 6:203 BW) en ongerechtvaardigde
verrijking (art. 6:212 BW). Ook in andere boeken van het BW worden bronnen van verbintenissen
aangewezen, zoals alimentatieverplichtingen (art. 1:157 BW en 1:392 BW). Ook buiten het BW
worden in wetsbepalingen bronnen van verbintenissen genoemd, zoals bijv. art. 185 WVW.

Literatuur -> reader
Bij een eenzijdige rechtshandeling treedt het rechtsgevolg in door de wilsverklaring van een persoon.
Eenzijdige rechtshandelingen worden onderverdeeld in ongerichte (bijv. het maken van een
testament) en gerichte (bijv. het doen van een aanbod, opzegging) rechtshandelingen. Gerichte
rechtshandelingen vereisen een geadresseerde om rechtsgevolg te hebben, voor ongerichte is enkel
een wilsverklaring van een persoon voldoende (art. 3:32 lid 2 en art. 3:34 lid 2 BW).

Bij een meerzijdige rechtshandeling zijn twee of meer personen nodig (bijv. het aangaan van een
huwelijk, of het sluiten van een overeenkomst). Meerzijdige rechtshandelingen zijn te onderscheiden
in overeenkomsten en andere meerzijdige rechtshandelingen (denk aan besluiten van een
vergadering van een vereniging of een AVA van aandeelhouders). De overeenkomst is het prototype
van de meerzijdige rechtshandeling. Art. 6:213 lid 1 BW omschrijft deze overeenkomst als een
meerzijdige rechtshandeling, waarbij een of meer partijen jegens een of meer andere partijen een
verbintenis aangaan. De obligatoire overeenkomst is in de praktijk de meest voorkomende
rechtshandeling en daardoor tevens de belangrijkste bron van verbintenissen.

Literatuur -> boek 3, nr. 1 t/m 9
Is herhaling van bovenstaande.

Literatuur -> reader
Bepaalde overeenkomsten worden in de wet uitdrukkelijk geregeld wanneer zij zó vaak voorkomen,
dat een afzonderlijke regeling in de wet gewenst is (denk aan de koopovereenkomst) of ter
bescherming van een van beide partijen (huur- of arbeidsovereenkomst). Voor deze benoemde
overeenkomsten dient naast de titels 3.2 en 6.5 tevens de nadere regelgeving met betrekking tot de
benoemde overeenkomst in boek 7 geraadpleegd worden.

,Voorbeeld:
Wanneer de schuldeiser/koper niet datgene verkrijgt waartoe de schuldenaar/verkoper zich heeft
verbonden, is sprake van een tekortkoming door de verkoper in de nakoming van een uit de
koopovereenkomst voortvloeiende verbintenis. Voor de koopovereenkomst bepaalt art. 7:17 lid 1
BW dat de door de verkoper afgeleverde zaak aan de overeenkomst moet beantwoorden, het
zogenaamde conformiteitsvereiste. Bij een consumentenkoop is een tussen koper en verkoper
overeengekomen van art. 7:17 BW afwijkend beding in strijd met dwingend recht (art. 7:6 BW en
derhalve nietig (art. 3:40 lid 2 BW).

Een onbenoemde overeenkomst is een overeenkomst die niet uitdrukkelijk in de wet is geregeld. De
onbenoemde overeenkomst wordt enkel beheerst door de algemene regels van de titels 3.2 en 6.5.

Gemengde overeenkomsten vertonen de typische kenmerken van twee en of meer benoemde
overeenkomsten. Het standaardvoorbeeld is de pensionovereenkomst, die zowel huur (van
woonruimte), koop (van voedsel) als een overeenkomst van opdracht (interieurverzorging) kan
omvatten. De vraag is nu welke rechtsregels op de gemengde contracten moeten worden toegepast,
indien de wetsbepalingen van de tot de gemengde overeenkomst behorende contracten tot
verschillende resultaten leiden. De wetgever heeft in art. 6:215 BW als hoofdregel voor de
cumulatieleer gekozen. In beginsel moeten de regels van de benoemde contracten naast elkaar
worden toegepast. Op deze regel wordt een uitzondering gemaakt voor zover;
 Deze bepalingen niet verenigbaar zijn, of
 De strekking van die bepalingen – in verband met de aard van de overeenkomst – zich tegen
toepassing verzet.
In dergelijke gevallen wordt de keuze aan de rechter overgelaten.

Literatuur -> boek 3, nr. 10 t/m 12
Meerpartijenovereenkomst
Is de wettelijke titel betreffende overeenkomsten ook op meerpartijenovereenkomsten (meer dan
twee partijen) van toepassing? De wet besteedt aan deze vraag uitdrukkelijk aandacht in het tweede
lid van art. 6:213: bedoelde bepalingen zijn op de meerpartijenovereenkomst niet toepasselijk, voor
zover de strekking van de betrokken bepalingen in verband met de aard van de overeenkomst zich
daartegen verzet. Dit moet worden gelezen tegen de achtergrond van het feit dat het voorafgaande
eerste lid de overeenkomst omschrijft in de beantwoording die ook de meerpartijenovereenkomst
omsluiten. Beziet men art. 6:213 lid 1 en 2 in onderling verband, dan ontstaat het beeld dat de regels
van het overeenkomstenrecht in principe ook voor de meerpartijenovereenkomst gelden (lid 1),
maar dat dir vertrekpunt uitzonderingen kent (lid 2).

Bijzondere overeenkomsten
Overeenkomsten die in boek 7 van een nadere wettelijke uitwerking worden voorzien, zijn
bijzondere overeenkomsten. Ten aanzien van de bijzondere overeenkomsten doet de gelaagde
structuur van het wetboek in alle hevigheid van zich spreken. Zij zijn ten eerste rechtshandelingen in
de zin van titel 3.2, ten tweede overeenkomsten in de zin van titel 6.5, en ten derde bijzondere
overeenkomsten in de zin van boek 7. Herhaaldelijk zal men dus op drie plaatsen in de wet moeten
zoek om een volledig beeld te bereiken van wat rechtens is. Of beter gezegd op vier, want bovendien
komt gewicht toe aan het algemene gedeelte van het verbintenissenrecht.

Verdere onderscheidingen van (obligatoire) overeenkomsten
De obligatoire overeenkomsten kunnen aan de hand van diverse criteria op diverse manieren
worden onderverdeeld. Zo kwamen in het voorafgaande al aan de orde:
a. tweepartijen- tegenover meerpartijenovereenkomsten
b. bijzondere (en gemengde) overeenkomsten tegen niet-bijzondere overeenkomsten

,Er bestaan méér indelingsmogelijkheden.
c. wederkerige overeenkomsten tegenover eenzijdige overeenkomsten. Een overeenkomst is
wederkerig, indien elk van beide partijen een verbintenis op zich neemt ter verkrijging van de
prestatie waartoe de wederpartij zich daartegenover jegens haar verbindt (art. 6:261 lid 1).
(Obligatoire) overeenkomsten die niet aan deze omschrijving voldoen, heten eenzijdig.

d. overeenkomsten onder bezwarende titel tegenover overeenkomsten om niet. Een
contractspartij gaat een overeenkomst aan onder bezwarende titel, indien de door haar
toegezegde prestatie in verband staat met een bepaalde prestatie van de wederpartij. Niet
onder deze omschrijving vallende overeenkomsten noemt men overeenkomsten om niet. In
de wet wordt de overeenkomst onder bezwarende titel eenvoudig ‘anders dan om niet’
genoemd.

E. consensuele overeenkomsten tegenover formele overeenkomsten

f. kortstondige overeenkomsten tegenover duurovereenkomsten.

Literatuur -> reader
Een hoofdovereenkomst is een overeenkomst die zelfstandig een reden van bestaand heeft, zoals
alle benoemde overeenkomsten.

De hulpovereenkomst is een overeenkomst die wordt aangegaan in afhankelijkheid van een buiten
haar liggende rechtsverhouding. Het doel van een hulpovereenkomst kan zijn het voorbereiden,
versterken, bevestigen, regelen of afwikkelen van een buiten haar liggende rechtsbetrekking.

Een voorovereenkomst is een hulpovereenkomst waarin een partij zich verbindt tot het tot stand
brengen van een andere overeenkomst in de toekomst en waarvan de inhoud althans in hoofdzaken
voldoende bepaald of bepaalbaar is. Een eventueel vormvereiste voor de hoofdovereenkomst dient
in principe ook voor de voorovereenkomst te gelden (art. 6:226 BW).

Een voortbouwende overeenkomst is een hulpovereenkomst die afhankelijk is van een bestaande
rechtsverhouding. Een bestaande geldvordering kan bijvoorbeeld verstrekt worden doordat de
schuldenaar ten behoeve van zijn schuldeiser een recht van hypotheek op een hem toebehorend
goed vestigt. Een voortbouwende overeenkomst is in principe vernietigbaar indien deze
rechtsverhouding later blijkt te ontbreken (art. 6:229 BW).

Literatuur -> boek 3, nr. 13 t/m 21
Grondbeginselen van contractenrecht
Het recht betreffende de obligatoire overeenkomst wordt beheerst door een drietal – met elkaar
samenhangende – grondbeginselen: de contractsvrijheid, de vormvrijheid en de verbindende kracht
van de overeenkomst (‘pacta sunt servanda’). Tezamen genomen leiden deze principes tot het
uitgangspunt dat iedere overeenkomst, hoe ook gesloten, rechtens als verbindend zal worden
aangemerkt.

Contractvrijheid
Dit houdt in dat het partijen vrijstaat een overeenkomst te sluiten met wij zij wensen, met de inhoud
die zij wensen, en op welk moment zij dat wensen. Het recht erkent de autonomie van het individu
om door het sluiten van contracten tot ontplooiing te komen en schaart zich achter de door de
handelende gedane keuzen. Dit principe is niet uitdrukkelijk in de wet neergelegd, maar komt wel
naar voren in de algemene erkenning en regeling van de overeenkomst. De contractsvrijheid is zo
fundamenteel, dat sommige rechtsgeleerde auteurs er de status van grondrecht aan toekennen.

, Maar: geen beginsel zonder uitzondering. De contractsvrijheid vindt haar grens, waar de uitoefening
ervan in een concrete situatie in conflict komt met een belang van hogere orde. Dan verschijnt 3:40
ten tonele, dat de overeenkomst nietig verklaart in geval strijd met een dwingende wetsbepaling,
met de goede zeden of met de openbare orde. Overigens bevat het contractenrecht relatief weinig
dwingende wetgeving: als directe consequentie van het beginsel van de contractsvrijheid zijn de
wettelijke regels over overeenkomsten en verbintenissen in principe van aanvullend recht. Dwingend
recht komt met name voor als de wetgever aan één van de partijen een bijzondere bescherming wil
bieden, en verder wanneer niet alleen de belangen van de contractanten, maar ook of juist die van
derden in het geding zijn.

Consensualisme en verbindende kracht
Het tweede grondbeginsel, dat van de vormvrijheid is, is – voor alle rechtshandelingen – neergelegd
in art. 3:37 lid 1: tenzij anders is bepaald, kunnen verklaringen in iedere vorm geschieden, en kunnen
zij in een of meer gedragingen besloten liggen. Omdat voldoende is dat op enigerlei wijze consensus
(wilsovereenstemming) tot uitdrukking komt, wordt dit beginsel wel als dat van het consensualisme
aangeduid.

Het derde grondbeginsel, dat van de verbindende kracht van de overeenkomst, wordt vaak
weergegeven met het adagium ‘pacta sunt servanda’. Het is neergelegd in art. 6:248 lid 1: ‘een
overeenkomst heeft (…) de door partijen overeengekomen rechtsgevolgen (…)’.

Partijen en hun hoedanigheid
De wet geeft één regeling van het rechtshandelingen- en overeenkomstenrecht, die – zonder aanzien
des persoons – van toepassing is op alle soorten contractspartijen. Tussen natuurlijke personen en
rechtspersonen, tussen particulieren en handelaren, tussen leken en deskundigen wordt in principe
geen verschil gemaakt.

Het feit dat de wet maar incidenteel gewicht toekent aan de hoedanigheden van de
contractspartijen, betekent niet dat de diverse denkbare contractanten bij de toepassing van de wet
ook steeds in alle opzichten gelijk zullen worden behandeld.
Een eerste gebied is de uitleg van de overeenkomst. In het bekende Haviltex-arrest overwoog de HR
ten aanzien van de contractsuitleg in het algemeen, dat daarbij van belang kan zijn tot welke
maatschappelijke kring partijen behoren en welke rechtskennis van zodanige partijen mag worden
verwacht.
In de tweede plaats valt te wijzen op het gewicht dat in het kader van een beroep op dwaling (art.
6:228) pleegt te worden toegekend aan de over en weer aanwezig gebleken deskundigheid. Koopt
een leek iets bij een deskundige, dan heeft de verkoper een ruime spreekplicht (art. 6:228 lid 1 sub b)
en zal de koper op welhaast alles wat de ander hem mededeelt (art. 6:228 lid 1 sub a) mogen
bouwen. Kopt omgekeerd een deskundige iets bij een leek, dan zal deze koper een beroep op
dwaling niet zelden te horen krijgen dat hij beter had moeten weten en te weinig eigen onderzoek
heeft verricht (art. 6:228 lid 2).
In de derde plaats is te denken aan de resultaten waartoe de toetsing aan redelijkheid en billijkheid
(art. 6:248 lid 2) aanleiding kan geven. Bij de vraag of redelijkheid en billijkheid al dan niet aan een
bepaalde contractuele afspraak derogeren, komt – zo heeft de HR herhaaldelijk overwogen – mede
belang toe aan de onderlinge verhouding en de maatschappelijke positie van partijen. Ook in dit
kader geldt, dat de particulier op meer clementie zal mogen rekenen dan een professioneel
opererende contractspartij.

Niet-obligatoire overeenkomsten
Voor zover geen specifieke wettelijke regelen aanwijsbaar zijn, worden zulke andersoortige
overeenkomsten alleen door de algemene titel 3.2 beheerst. Zij voldoen immers niet aan de
omschrijving van art. 6:213 en vallen dus buiten het bereik van de overeenkomsttitel.

Connected book
 image
Jac. Hijma, C.C. van Dam Rechtshandeling en Overeenkomst
Publisher: Unknown ISBN: 9789013071368 Edition: 6

Document information

Study
Summarized whole book?
Yes
Uploaded on
August 19, 2026
Number of pages
37
Written in
2026/2027
Type
Summary
$9.77

Wrong document? Swap it for free Within 14 days of purchase and before downloading, you can choose a different document. You can simply spend the amount again.
Written by students who passed
Immediately available after payment
Read online or as PDF

Seller avatar
tessvanoostrom
5.0
(1)
Sold
5
Followers
6
Items
23
Last sold
3 year ago



Why students choose Stuvia

Created by fellow students, verified by reviews

Quality you can trust: written by students who passed their tests and reviewed by others who've used these notes.

Didn't get what you expected? Choose another document

No worries! You can instantly pick a different document that better fits what you're looking for.

Pay as you like, start learning right away

No subscription, no commitments. Pay the way you're used to via credit card and download your PDF document instantly.

Student with book image

“Bought, downloaded, and aced it. It really can be that simple.”

Alisha Student

Working on your references?

Create accurate citations in APA, MLA and Harvard with our free citation generator.

Working on your references?

Frequently asked questions