Aard en doel van het strafproces
Een tweedelig hoofddoel
Strafrechtspleging zonder enige ‘vorm van proces’ is niet goed denkbaar. Ongeregelde reacties op
gepleegde strafbare feiten kunnen geen strafrecht heten. Dat geldt ook van zogenaamde
‘standrechtelijke executies’.
De aard en het doel van het strafprocesrecht liggen voor een belangrijk deel in het voorgaande
besloten. Het strafprocesrecht bestaat uit een geheel van regels die betrekking hebben op de
toepassing van het strafrecht in een concreet geval. Daarin onderscheidt het strafprocesrecht zich
van het materiele strafrecht. In het materiele strafrecht wordt in abstracto bepaald welke de
strafbare feiten zijn en met welke straffen zij kunnen worden bestraft. De daadwerkelijke realisering
van die strafwetgeving vraagt om procedureregels die aangeven door wie en op welke wijze moet
worden vastgesteld dat een bepaalde burger de strafwet heeft overtreden en wat daarvan de
consequenties moeten zijn. Daarom kan gezegd worden dat de kern van ons strafprocesrecht is
gericht op de totstandkoming van de rechterlijke beslissing.
Het hoofddoel van het strafproces is het verzekeren van een juiste toepassing van het abstracte
materiele strafrecht. Dat doel is tweeledig. Het doel is enerzijds te bewerkstelligen dat de schuldigen
(degene die de strafwet hebben overtreden) worden gestraft (en wel volgens de regels van het
materiele recht). Dat doel rechtvaardigt onder meer de toekenning van soms ingrijpende
onderzoeksbevoegdheden aan de met opsporing en vervolging belaste autoriteiten. Het doel is
anderzijds het voorkomen van de bestraffing van onschuldigen. Veel straf processuele voorzieningen
hebben dan ook een waarborgkarakter. Een van de waarborgen is het toekennen van het recht aan
de verdachte om zich te verdedigen. Die verdedigen verkleint de kans op onjuiste beslissingen.
De beide subdoelen waarin het hoofddoel van het strafproces uiteenvalt (bestraffing van schuldigen
en voorkoming van bestraffing van onschuldigen), lijken naadloos op elkaar aan te sluiten. Echter
komt de waarheid lang niet altijd boven water. In ons strafproces geldt het in dubio pro reo-beginsel.
De rechter mag het feit blijkens art. 338 Sv alleen bewezen verklaren als hij zelf de overtuiging heeft
bekomen dat het feit door de verdachte is begaan. Het tweede subdoel weegt zo gezien zwaarder
dan het eerste. Als uit nieuwe feiten blijkt dat de rechter heeft gedwaald, kan de veroordeling
ongedaan worden gemaakt ex. art. 457 e.v. Sv.
Bijkomende doelen
Naast het hoofddoel staan andere doelen, doelen die nagestreefd moeten worden zodra van een
strafproces sprake is. Deze bijkomende doelen bepalen dan ook mee de inrichting van het
strafproces. Hieronder worden vier bijkomende doelen onderscheiden, overigens zonder dat
daarmee een uitputtende opsomming is beoogd.
1. eerbiediging van de rechten en vrijheden van de verdachte
De strafrechtelijke vervolging vormt voor de betrokken burger op zich al een zware belasting. Dat
geldt ongeacht de uitkomst van het proces en ongeacht de vraag of de burger schuldig of onschuldig
is. Als de onschuldige burger na een lang en slepend proces uiteindelijk wordt vrijgesproken, is
weliswaar de bestraffing van een onschuldige voorkomen, maar is achteraf gezien een nodeloze
inbreuk gemaakt op de vrijheid van de burger. Het doel van het strafproces moet daarom mede zijn
de vervolging van onschuldige burgers zoveel mogelijk te voorkomen.
2. eerbiediging van de rechten en vrijheden van andere betrokken
Wat voor de verdachte geldt, geldt tot op zekere hoogte ook voor andere burgers die, vaak zonder
dat zij daarom hebben gevraagd, bij het strafproces betrokken zijn of worden. Zo kan het onderzoek
naar de waarheid meebrengen dat woningen worden onderzocht van burgers die zelf niet verdacht
,worden van het strafbare feit in kwestie. Getuigen kunnen verplicht worden om op de terechtzitting
te verschijnen en aldaar een verklaring af te leggen omtrent hetgeen zij hebben gezien.
3. procedurele rechtvaardigheid
De toekenning van verdedigingsrechten aan de verdachte vormt een waarborg tegen bestraffing van
onschuldigen. Maar dat is niet het enige. Het gaat in het strafprocesrecht niet alleen om de uitkomst
van het geding, maar ook om de procedure die tot die uitkomst heeft geleid. Wat in het algemeen
geldt, geldt ook voor het strafproces: mensen willen betrokken worden bij, en inspraak hebben in,
beslissingen die hen raken. Met het horen van verdachte, met een eerlijke procedure, is dus een
zelfstandig belang gemoeid, dat losstaat van het waarborgen van een juiste beslissing. Men spreekt
in dit verband van procedurele rechtvaardigheid. Die procedurele rechtvaardigheid vormt ook een
argument om het slachtoffer bij het strafproces te betrekken. Dat proces gaat hem ook aan. het
spraakrecht dat het slachtoffer is toegekend, vormt daarvan een erkenning.
4. demonstratiefunctie
De terechtzitting dient openbaar te zijn. Die openbaarheid maakt publieke controle op de berechting
mogelijk en vormt daarmee een waarborg tegen willekeurige bestraffing. Maar dat is niet de enige
funcite van de openbaarheid van het strafproces. Het openbare strafproces maakt zichtbaar dat de
overheid zwaar tilt aan het plegen van strafbare feiten en daarvan werk maakt. Van het strafproces
zelf gaat daardoor al een generaal preventieve en normbevestigende werking uit. Het versterkt
tegelijk ook het vertrouwen van het publiek in de strafrechtspleging. Het openbare strafproces kan
demonstreren dat het vereiste bewijs ondanks de inspanning van de autoriteiten niet geleverd kon
worden, zodat geen sprake is van laksheid of corruptie.
Hieraan kan nog een vijfde doel worden toegevoegd: het voorkomen van eigenrichting. Eigenrichting
wil zeggen: het volgen van een niet-wettelijk geregelde handhavingsmethode waarbij dwang of
geweld wordt toegepast. Door de reactie van de overheid op delicten wordt voorkomen dat de
burgers het recht in eigen hand nemen. Handhaving van regels door eigenrichting heeft op het eerste
gezicht weliswaar iets aantrekkelijks, doordat de overheid niet tussenbeide hoeft te komen, maar
leidt vaak door haar ongereglementeerdheid en onbeheersbaarheid tot hoogst ongewenste
gevolgen. Bij de handhaving van het recht heeft de overheid daarom in principe het monopolie op
dwang en geweld.
Strafproces en waarheidsvinding
De opsporingsambtenaar die onderzoek doet naar een mogelijk gepleegd strafbaar feit, poogt de
ware toedracht te achterhalen. zijn zoektocht naar de waarheid leidt echter lang niet altijd tot een
bevredigend resultaat. Soms lukt het niet om de zaak tot klaarheid te brengen, met als gevolg dat
een strafvervolging achterwege blijgt. Soms ook is het vergaarde bewijs zo mager dat de rechter de
verachte vrijspreekt. Hoewel dan de frustraties van de betrokken opsporingsambtenaren zijn de
begrijpen, kan toch niet gezegd worden dat hun inspanningen voor niets zijn geweest. Door die
inspanningen heeft de overheid laten zien dat zij strafbare feiten serieus neemt en dat zij slachtoffers
niet in de kou laat staan. Het feit dat de zaak ondanks alle inspanningen niet tot klaarheid is
gebracht, is daarbij een belangrijk gegeven. De overheid kan op basis daarvan verantwoorden
waarom zij geen strafvervolging instelt. Voor die strafvervolging blijkt geen grond te zijn.
Strafproces en rechtsbescherming
In een rechtsstaat worden de verhoudingen tussen de overheid en de burgers beheerst door de rule
of law. Dat betekent dat de overheid niet boven de wet staat, maar daaraan is onderworpen.
Machtsuitoefening door de overheid mag alleen plaatsvinden op basis van een door het recht
toegekende bevoegdheid en binnen door het recht getrokken grenzen. Zo wordt de burger
beschermt tegen de willekeur van de autoriteiten.
,Het doel van rechtsbescherming is niet kenmerkend voor het strafprocesrecht. Voor alle publiekrecht
geldt dat machtsuitoefeningdoor de overheid aan het recht gebonden wordt en dat aldus
bescherming geboden wordt tegen willekeur. Rechtsbescherming als doel van het strafprocesrecht
mist dus onderscheidend vermogen.
De tweede kanttekening is dat onverklaard blijft waarom aan de overheid de bevoegdheid is
toegekend om te straffen en om dwangmiddelen toe te passen teneinde de waarheid aan het licht te
brengen. Als het doel van het strafprocesrecht is om de burger tegen de uitoefening van die
bevoegdheden te beschermen, kunnen die bevoegdheden beter niet aan de overheid worden
toegekend.
De derde kanttekening is dat onderbelicht blijft dat de bedoelde bevoegdheden in de wet niet zonder
reden aan de overheid zijn toegekend. Met die toekenning worden niet de eigen belangen van de
overheid gediend, maar het publieke belang, en daarmee het belang van de burger. Een effectieve
handhaving van de strafwet is dus een legitiem belang dat in de wet erkenning heeft gevonden. Ook
die handhaving kan daarbij als een vorm van rechtsbescherming worden gezien.
Met al deze kanttekeningen wil niet ontkend zijn dat het strafprocesrecht een uitwerking vormt van
de rule of law en dat rechtsbescherming gezien kan worden als het doel van het strafprocesrecht.
Wel wil betoogd zijn dat daarmee nog niet zo heel veel is gezegd. De vraag waarop het aankomt, is
welke rechtsbescherming het strafproces dient te bieden.
Noodzakelijke afweging
Door de gegeven specificatie wordt zichtbaar dat met een pleidooi voor meer rechtsbescherming
weinig is gezegd. De verschillende doelen van het strafprocesrecht staan in een moeizame
spanningsverhouding tot elkaar. Dat geldt voor de beide subdoelen van de tweeledige
hoofddoelstelling. Dat geldt ook voor het hoofddoel ten opzichte van de bijkomende doelen en voor
de bijkomende doelen onderling. Respectering van de rechten van de verdachte kan bijvoorbeeld ten
koste gaan van de waarheidsvinding en van de rechten van de slachtoffers en derden. Meer
bescherming van de een, betekent dus al gauw minder bescherming voor de ander. Dat vraagt om
het maken van keuzes. Er kunnen enkele algemene uitgangspunten worden geformuleerd die het
afwegingsproces tot op zekere hoogte structureren. De belangrijkste zijn daarvan de volgende.
Een eerste uitgangspunt is dat aan de strafrechtspleging kosten zijn verbonden en dat de daarvoor
beschikbare middelen niet onbeperkt zijn. Er moet dus niet alleen een afweging worden gemaakt van
conflicterende doelen, maar ook tussen doelen en middelen. Daarbij geldt dat de energie en de
mankracht die in de ene zaak worden gestoken, niet aan een andere kunnen worden besteed. De
vraag is dus niet hoe de rechtsbescherming verder kan worden gemaximaliseerd, maar welke mate
van rechtsbescherming voldoende en verantwoord is. Bijv. MK tegenover PR.
Een tweede uitgangspunt is dat hoe meer er voor de verdachte op het spel staat, hoe groter de
waarborgen moeten zijn waarmee de berechting is omringd. Hoe zwaarder de straffen zijn die de
verdachte boven het hoofd hangen, hoe grondiger het onderzoek naar de waarheid en hoe
zorgvuldiger het besluitvormingsproces dient te zijn. De ernst van het strafbare feit waarvan de
verdachte wordt verdacht, vormt dus een belangrijke afwegingsfactor.
Een derde uitgangspunt is dat hoe ernstiger het vermoedelijk gepleegde strafbare feit is en hoe
groter derhalve het belang is dat aan opheldering van het misdrijf toekomt, hoe ingrijpende de
onderzoeksbevoegdheden kunnen zijn die aan de politie en justitie toekomen. De inbreuk die door
die bevoegdheden wordt gemaakt op in het bijzonder de vrijheid en de privacy van de verdachte of
van anderen moet immers in redelijke verhouding staan tot het beoogde doel (eis van
proportionaliteit).
Een vierde uitgangspunt is dat aan alle verschillende doelen recht moet worden gedaan. De uitkomst
van de afweging moet met andere woorden bezien vanuit alle doelen van de strafvordering
aanvaardbaar zijn. De speelruimte voor de noodzakelijke afweging is daardoor kleiner dan men
wellicht zou denken. Zo heeft de verdachte onder alle omstandigheden recht op een eerlijk proces.
Zijn zwijgrecht mag daarom onder geen beding opgeofferd worden aan het belang van de
waarheidsvinding.
, Instrumentaliteit en rechtsbescherming
Het doel van het strafproces komt ook tot uiting in de begrippen 'instrumentaliteit ' en
'rechtsbescherming'. Aan de ene kant geeft het strafproces bevoegdheden om een strafbaar feit op
te sporen teneinde de (ware) schuldige te kunnen bestraffen. Daarmee komt het strafprocesrecht
onder andere tegemoet aan de rechtvaardigde belangen van (potentiële) slachtoffers van
criminaliteit. Aan de andere kant worden onschuldige burgers door de regels beschermd tegen het
toepassen van deze bevoegdheden.
Deze twee polen binnen dit spanningsveld worden ook wel aangeduid met de termen
‘instrumentaliteit’ en ‘rechtsbescherming’. In de praktijk betekent dit veelal dat wanneer de nadruk
van het strafprocesrecht ligt op de rechtsbescherming van de burger, dit ten koste kan gaan van de
instrumentele doelstelling en andersom. Dit vergt een constante belangenafweging, zowel op
wetgevingsniveau als op uitvoeringsniveau. In het tekstboek wordt een aantal factoren genoemd die
bij deze belangenafweging een rol spelen: beschikbare financiële middelen, de verhouding tussen de
belangen van een verdachte en de rechtswaarborgen die hem toekomen en de verhouding tussen de
ernst van het vermoedelijke strafbare feit en de aard van de onderzoeksbevoegdheden. Daarbij geldt
dat de uitkomst van de belangenafweging wel moet beantwoorden aan alle doelen die het
strafprocesrecht heeft. In de volgende passage uit het arrest van de Hoge Raad in de
zaak Jailplant (HR 9 maart 2004, E:AN9195, NJ 2004/263, m.nt. Schalken) komt deze
belangenafweging duidelijk naar voren:
"Het vorenoverwogene neemt niet weg dat toepassing van art. 126j Sv ten aanzien van een voorlopig
gehechte verdachte licht het gevaar in zich bergt dat de verdachte op zodanige wijze feitelijk komt te
verkeren in een verhoorsituatie waarbij de waarborgen van een formeel verhoor door een
politiefunctionaris ontbreken, dat aldus verklaringen worden verkregen die in strijd met de in art. 29,
eerste lid, Sv tot uitdrukking gebrachte en in art. 6, eerste lid, EVRM besloten liggende
verklaringsvrijheid van de verdachte zijn afgelegd. Gelet daarop zal vooreerst bij de toetsing van een
zodanige toepassing van art. 126j Sv aan de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit
uitgangspunt moeten zijn dat die toepassing eerst in aanmerking komt als de bijzondere ernst van
het misdrijf zulks rechtvaardigt en andere wijzen van opsporing redelijkerwijs niet voorhanden zijn.
Indien aan voornoemd uitgangspunt is voldaan, kan de rechter voor de vraag komen te staan of
informatie van de verdachte niet in strijd met voormelde bepalingen is verkregen. De beantwoording
van die vraag hangt af van de concrete omstandigheden van het geval. Daarbij komt onder meer
betekenis toe aan de proceshouding die de verdachte met betrekking tot de strafbare feiten waarvan
hij wordt verdacht heeft ingenomen en hetgeen zich in het voorbereidend onderzoek voor en
gedurende de periode waarin de informant optreedt heeft afgespeeld, de aard en intensiteit van de
door de informant ondernomen activiteiten jegens de verdachte, de mate van druk die daarvan
jegens de verdachte kan zijn uitgegaan en de mate waarin de handelingen en gedragingen van de
informant tot de desbetreffende verklaringen van de verdachte hebben geleid (vgl. EHRM 5 november
2002, appl. nr. 48539/99, Allan v. The United Kingdom, NJB 2003, p. 80, nr. 2)."
(r.o. 5.6 en 5.7)’’
Gesteld kan dus worden dat het strafprocesrecht twee soorten regels bevat. De eerste soort schept
bevoegdheden voor de overheid om, ter vaststelling van de waarheid, dwang uit te oefenen op
burgers (instrumentaliteit). De tweede soort schept rechtswaarborgen voor de burger (geen
bestraffing zonder bewijs, de mogelijkheid tot tegenspraak, het recht op rechtsbijstand, recht van
hoger beroep, enz.) (rechtsbescherming). Op het eerste gezicht komt de waarborgfunctie van het
strafprocesrecht vooral in die tweede soort regels tot uitdrukking. Bij nadere beschouwing bevat
echter ook de eerste soort belangrijke waarborgen voor de burger, omdat zij niet alleen
bevoegdheden schept, maar telkens ook de gevallen waarin en de wijze waarop die bevoegdheden
mogen worden uitgeoefend, beperkt.