GELIJKHEIDSBEGINSEL EN ANDERE GRONDRECHTEN
Opdracht 1. Actualiteit
Lees het volgend artikel in de Standaard: “Krijgen ook federale
ambtenaren, net als in Antwerpen, “uniform met hoofddeksel”?” en
beantwoord de volgende vragen.
1. Welk beginsel/grondrecht komt in dit artikel aan bod? In welke
bepaling (uit de Grondwet) vindt men dit terug?
Art 10&11GW: op het einde van artikel: kansen voor vrouwen met
hoofddoek zouden verlaagd worden
Godsdienstvrijheid uit 19GW: iedere godsdienst is vrij -> hoofddoeken aan
loket verboden kunnen worden, want overheid moet neutraal zijn -> maar
dat kan een schending zijn van art 10 & 11GW
2. Op het einde van het artikel stelt Almaci dat “een uniform zonder
vorm van hoofddoek de kansen voor vrouwen nog zou verlagen”.
Aan welk beginsel/grondrecht tracht Almaci hier een uiting te geven
en waar vindt men dit terug in de Grondwet?
Gelijkheids- en non-discriminatiebeginsel (gendergelijkheid)
Wanneer Almaci waarschuwt dat een uniform zonder hoofddoek vrouwen
extra zou benadelen, beroept zij zich op het recht op gelijke
behandeling en het verbod op discriminatie op grond van geslacht.
Dit is verankerd in:
Artikel 10 van de Grondwet: “Allen zijn gelijk in rechten. Niemand
mag wegens godsdienst, levensovertuiging, politieke of
vakbondsoverzeuging, taal, ras of geslacht anders behandeld
worden dan de overige burgers.”
Artikel 11: dat verbiedt willekeurige voorrechten of discriminaties
tussen Belgen.
1
, Opdracht 2. Casussen m.b.t. het gelijkheidsbeginsel
In de volgende casussen wordt men telkens met een verschil in
behandeling geconfronteerd. Duid telkens per casus aan op welk punt het
verschil in behandeling de toets van het Grondwettelijk Hof niet zal
doorstaan (bijv. geen legitiem doel, geen pertinente maatregel, niet
proportioneel, …).
1. Om terrorisme beter te kunnen bestrijden, besluit het parlement een
wet aan te nemen die toestaat om personen verdacht van
terrorisme te waterboarden. IS is het hier niet mee eens, aangezien
zij meent dat er onterecht een onderscheid wordt gemaakt tussen
personen verdacht van terrorisme en personen verdacht van andere
misdrijven en dient een verzoek tot vernietiging in bij het
Grondwettelijk Hof.
Gelijkheidsbeginsel 10 & 11GW: vergelijkbaarheidstoets
Zijn die categorieën waar een ongelijke behandeling tussen
bestaat voldoende vergelijkbaar?
Welke norm wordt aangeworpen? Personen die verdacht
zijn van terrorisme kunnen worden mishandeld en
personen van andere misdrijven niet -> niet voldoende
vergelijkbaar, wet is bedoeld om terrorisme te
bestrijden, in het kader van het doel zijn die categorieën
niet vergelijkbaar
Doel van de norm? Bestrijden van terrorisme
Gelijkheidsbeginsel is hier niet van toepassing ->
waardoor je geen schending kan hebben van dat
beginsel
Stel ze waren wel voldoende vergelijkbaar dan is er een
ongelijke behandeling en is er een schending van
gelijkheidsbeginsel
Legaliteitstoets: geen beperking zonder wet -> bij wet
voorzien zijn (kan zowel in materiële als formele zin zijn)
GWH: enkel formele zin
EHRM: beide
Die wet is al toegankelijk en voorzienbaar
Proportionaliteitstoets: is de maatregel in
overeenstemming met het legitiem doel?
Legitiem doel: terrorisme bestrijden
Pertinent: het is hier niet pertinent
Noodzakelijk: is er geen alternatief om je legitiem
doel te bereiken dat minder vergaand is? -> bv
inzetten op staatsveiligheid
2