Written by students who passed Immediately available after payment Read online or as PDF Wrong document? Swap it for free 4.6 TrustPilot
logo-home
Document preview thumbnail
Preview 4 out of 77 pages
Summary

Samenvatting Methodisch handelen 2

Document preview thumbnail
Preview 4 out of 77 pages

Dit is een samenvatting van de cursus. De powerpoints vind ik persoonlijk best onduidelijk in combinatie met de cursus, dus deze studeer ik er apart naast ipv ze te verwerken in de samenvatting. Het is een vrij uitgebreide samenvatting in uitgeschreven zinnen, dit werkt voor mij het beste.

Content preview

METHODISCH HANDELEN 2
Hoofdstuk 4 van vorig jaar ook kennen!!
Alles met ppt ernaast studeren. Niet in samenvatting

HOOFDSTUK 9: GEDRAGSVERANDERINGSTECHNIEKEN VOOR HET
AANLEREN OF WIJZIGEN VAN VAARDIGHEDEN

We herinneren aan drie belangrijke uitgangspunten:

1) De hulp die logopedisten en audiologen bieden, bestaat het meeste uit het
teweegbrengen van gedragsverandering bij hun cliënten en/of hun omgeving.

2) Gedrag is meer dan alleen het zichtbare of hoorbare handelen. Het omvat
wat mensen weten, denken, en voelen.
Gedragsverandering = veranderingen in motorisch gedrag, in gedachten en in
gevoelens (ofwel cognities en emoties).

3) De eigenlijke verandering van gedrag kan in wezen drie dingen betekenen:
 Doen toenemen van gedrag of ervoor zorgen dat iemand iets meer gaat doen.
Bv. vaker gesprekken initiëren, meer lezen, …
 Doen afnemen van gedrag of ervoor zorgen dat iemand iets minder gaat
doen.
 Vaak gaat het dan om het afleren van minder geschikte of hinderlijke
gedragingen.
Bv. minder keelschrapen, minder vermijdingsgedrag, …
 Verbeteren van de kwaliteit van gedrag.
Bv. vlotter hanteren van gebaren, betere articulatievaardigheid, …


Het veranderen van denkwijzen en gevoelens van cliënten vraagt ook om andere
methoden dan enkel het veranderen van handelingen.
 De meeste gedragsveranderingen zijn afgeleid uit het operante
leermechanismen.
 Voor het stimuleren van wijzigingen in hoe mensen denken en voelen, doen
we beroep op het respondente (klassieke) leerparadigma.



INDICATIESTELLING
In deze 4 gevallen kan de logopedist zijn therapiedoelen realiseren met behulp van
operante gedragsveranderingstechnieken: (men gaat dus operant ingrijpen =
Vaardigheidstraining)

- Als op het moment van aanmelding en assessment de betekenis- en emotionele
componenten van het probleem nog niet gekleurd zijn door negatieve ervaringen
met de stoornis.
 Bv. wanneer de stoornis vroegtijdig gedetecteerd, onderzocht en behandeld
wordt.
De therapeut wordt dan te hulp geroepen, nog voor bijkomende respondente
leerprocessen de problematiek vergroten door de op vermijdinggerichte acties.
Men blijft de negatieve emoties en cognities dus voor!
= Secundaire preventie (=> stoornis is vastgesteld en er wordt hulp geboden
om de ontwikkeling van verdere complicaties te voorkomen)

- Als de emoties die het probleemgedrag aanvankelijk uitlokten, er nu niet meer
zijn, maar het probleemgedrag is blijven bestaan als een geautomatiseerd
gedragspatroon, een foutieve gewoonte.

1

, Kijk voorbeeld p9.3


- Als het gaat over een eenvoudige problematiek waarin emoties een
verwaarloosbaar kleine rol spelen.
 Bv. kinderen die mondademen zitten daar zelf niet mee in.
 De therapeut moet hier wel al rekening mee houden ondanks het slechts een
vaardigheidsprobleem is. Het zou kunnen dat het kind in de loop van zijn
ontwikkeling wel rekening gaat beginnen houden met dit gedrag, op een
manier die wel beperkend werkt.

- Als de cliënt en zijn context een hoge veerkracht bezitten.

 In al deze 4 gevallen zullen de doelstellingen enkel kunnen worden
geformuleerd in termen van: aanleren, afleren, wijzigen of optimaliseren
van vaardigheden.
Bv. Anna behaalt een leessnelheid van gemiddeld 30 correct gelezen één-
tot tweelettergrepige woorden per minuut.
Jef kan in normale, spontane conversatie 80% van de gestotterde woorden
ontspannen opvangen door gebruik te maken van de pull-outtechniek.


Operante gedragingen kunnen maar op 2 manieren worden aan- of afgeleerd:
- Door ze uit te lokken
- Door ze te bekrachtigen of te bestraffen

Vanuit uitlokkende prikkels en gedragsgevolgen is een reeks van
gedragsveranderingstechnieken afgeleid.




Kijk pagina 9.5 voor uitleg.



Uitlokkende prikkel of situatie
= Discriminatieve/uitlokkende prikkel/situatie => (Ik wil het gedrag wijzigen, wat zijn de
dingen die ik daarvoor moet doen?)
= Context waarin gedrag leidt tot gunstige gedragsgevolgen.

Gedragsgevolgen bij probleemgedrag
- Verwachte positieve gevolgen (+S+, -S-, °S-)


2

, - Reële negatieve gevolgen (+S-, -S+, °S+)

Gedrag aanleren of afleren
- Via uitlokkende prikkels
- Via gedragsgevolgen

WERKEN MET DE UITLOKKENDE PRIKKELS : PERCEPTIETRAINING EN
VERSTERKEN VAN INFORMATIE OVER UITLOKKENDE PRIKKELS

Probleemstelling, een voorbeeld:
Een kind met spellingsproblemen weet dat er soms enkel een ‘t’ en soms ‘dt’ aan het
eind van het werkwoord komt, maar niet waarvan dat afhangt en waar het dus precies op
moet letten.




Soms maakt een cliënt fouten niet omdat hij de vaardigheid niet kan, maar omdat hij niet
weet wanneer hij die vaardigheid moet gebruiken. Hij herkent de juiste signalen
(uitlokkende prikkels of discriminatieve stimuli) onvoldoende.
 Gevolg van onvoldoende prikkel discriminatie = Onterechte
prikkelgeneralisatie
 Men gaat op dezelfde manier reageren op prikkels die eigenlijk een
verschillende gedragsrespons vereisen.
Bv. Een kind met moeilijkheden op het vlak van taalpragmatiek,
bijvoorbeeld in het kader van een autismespectrumstoornis, kan de
vaardigheid om mensen rechtstreeks aan te spreken wel stellen,
maar houdt geen of te weinig rekening met de context en doet dit
dus vaak erg ongepast.

We hebben 2 belangrijke technieken die elkaar sterk aanvullen en vaak gecombineerd
worden toegepast.
1) Perceptietraining (waarneming aanscherpen)
- Men leert de cliënt relevante verschillen opmerken en onderscheiden.
Zodat men op de juiste manier kan reageren.
- Voorbeelden:
 Verschil zien tussen b en d
 Verschil horen tussen bepaalde klanken
 Herkennen van situaties die stotteren, snel spreken of stemmisbruik
uitlokken
- Er wordt eerst geoefend op het waarnemen van verschillen, nog niet op de
eigenlijke vaardigheid (dus nog niet op het schrijven of benoemen van de b
of d, maar enkel op de vorm).
 Eigenlijke doel van perceptietraining:
 Prikkeldiscriminatie: Leren wanneer verschillende situaties een
andere reactie vragen.
 Prikkelgeneralisatie: Leren negeren van verschillen die irrelevant
zijn voor een correcte gedragsuitvoering.

2) Informatie verstrekken
- De therapeut legt uit welke prikkels belangrijk zijn voor welk gedrag en
waarom.




3

,  Dit kan via uitleg, voorbeelden, schema's, afbeeldingen of
opdrachten. Men stemt de informatie af op de cognitieve
mogelijkheden van de cliënt.
- De cliënt kan ook zelf ontdekken welke factoren een rol spelen, wat de
motivatie en het leren verhoogt.
 Wanneer men zelf mee nadenkt, is de kans groter dat de informatie
blijft hangen.




WERKEN MET UITLOKKENDE PRIKKELS: WEGNEMEN EN/OF AANBIEDEN VAN
UITLOKKENDE PRIKKELS (STIMULUSCONTROLE)
De therapeut heeft de prikkels geïdentificeerd die de context vormen voor bepaalde
storende gedragingen, en men is ook op zoek gegaan naar de prikkels die een meer
geschikt gedrag uitlokken.

Stimuluscontrole = Het feit dat prikkels in staat zijn, een invloed uit te oefenen op het
optreden van een gedrag.
 Stimuluscontrole als therapeutische procedure = Prikkels worden zo
georganiseerd dat de uitlokkende stimuli voor ongewenst gedrag, tijdelijk niet
aanwezig zijn en de uitlokkende stimuli voor gewenst gedrag net meer optreden.

We hebben 3 deelaspecten van stimuluscontrole:
– Prikkelvermijding
– Toevoegen van prikkels (Prompting)
– Uitdoven van de noodzaak van gebruik ervan (Fading)



PRIKKELVERMIJDING
Wegnemen of vermijden van gedragsuitlokkende prikkels, is zelden een strategie die
bedoeld is om blijvend vol te houden.
 Wel nuttig als tijdelijke maatregel!
Deze wordt toegepast in afwachting van het moment waarop de cliënt de nodige
vaardigheden heeft verworven om beter met de situatie om te gaan.

 Voorbeeld:
Het verdunnen van voedsel of tijdelijk zelfs helemaal vermijden van orale
voeding, kan voor iemand met een slikstoornis nodig zijn, totdat de cliënt
de nodige vaardigheid heeft om het voedsel weg te werken zonder een te
grote risico op aspiratie.



Ook tijdens oefensessies kan een therapeut zijn oefenitems kiezen op basis van de
specifieke eigenschappen van de oefenitems, en of ze wel of niet met het doelgedrag
geassocieerd zijn.
 Hij kan prikkels aanbieden die gewenst gedrag uitlokken.
 En prikkels weglaten waarvan hij weet dat ze voorlopig nog te sterk gekoppeld zijn
aan ongewenste gedragspatronen.

 Voorbeeld:
Voor sommige kinderen werkt het toevoegen van spelmateriaal bij het
oefenen, voor andere kinderen zorgt dit voor veel storend gedrag en
tijdsverlies.




4

Document information

Study
Uploaded on
August 19, 2026
Number of pages
77
Written in
2026/2027
Type
Summary
$12.01

Wrong document? Swap it for free Within 14 days of purchase and before downloading, you can choose a different document. You can simply spend the amount again.
Written by students who passed
Immediately available after payment
Read online or as PDF

Sold
0
Followers
0
Items
2
Last sold
-


Why students choose Stuvia

Created by fellow students, verified by reviews

Quality you can trust: written by students who passed their tests and reviewed by others who've used these notes.

Didn't get what you expected? Choose another document

No worries! You can instantly pick a different document that better fits what you're looking for.

Pay as you like, start learning right away

No subscription, no commitments. Pay the way you're used to via credit card and download your PDF document instantly.

Student with book image

“Bought, downloaded, and aced it. It really can be that simple.”

Alisha Student

Working on your references?

Create accurate citations in APA, MLA and Harvard with our free citation generator.

Working on your references?

Frequently asked questions