ABBB
THEORIE
Beginselen van behoorlijk bestuur
Processuele beginselen: over totstandkomnig van beslissingen / formeel
+ vormelijk
Inhoudelijke beginselen: over de inhoud van de besluiten
Processueel
Hoorplicht = vooraf standpunt kenbaar maken
o Voorwaarden
o 1) ernstige individuele beslissing – rechtstoestand wijzigt
o 2) gebaseerd op persoonlijk gedrag dat als een tekortkoming wordt
aangerekend
o Drie uitzonderingen
o 1) noodzaak van snel optreden
o 2) betrokkene niet bereikbaar binnen een redelijke termijn
o 3) feiten vatbaar voor directe en eenvoudige contstatering
o Nuttig horen (inzage dossier, voeldoende kennis, verweer voorbereiden)
o Geldt niet in tuchtzaken (daar recht van verdediging, geen uitz mogelijk)
Onpartijdigheidsbeginsel
o Niet tegelijkertijd betrokken zijn en de beslissing nemen
o Geen schijn van partijdigheid
o Nuancering
Tijdig melden vloeit voort uit behoorlijk burgerschap
Continuiteit ma g niet worden afgebroken
Fair play
o Bestuur mag het de burger niet moelijk maken om zijn rechten uit te
voeren
Zorgvuldigheidsbeginsel
o Redelijke en zorgvuldige persoon
Formele motiveringsplicht
o Motieven uitdrukkelijk in beslissing worden opgenomen
o Formele motiveringswet 1991
, Inhoudelijk
Materiële motiveringsplicht
o Inhoudelijk juist en pertinent
o Evenredig met de belangen
o Voor individuele besluiten en reglementaire beslissingen
Gelijkheidsbeginsel
o Geljike gevallen gelijk behandelen
o Ongelijke gevallen ongelijk behandelen
o Art 10 11 gw
o Uitzondering
Rechtzekerheidsbeginsel en vertrouwensbeginsel
o h
redelijkheidsbeginsel
o
rechtsmachtverdeling
Objectief contentieux (beroep)
o Administratieve rechtscolleges (art 146 -160 GW)
o Geschil over een belang bij een individuele beslissing of reglement
Discretionaire bevoegdheid
o Doel: herstel van schade
Subjectief contentieux (beroep)
o Gewone rechter en rechtbank ( art 144 -145 GW)
o Geschil over een subjectief recht
Gebonden bevoegdheid
Rechtstreeks uit de grondwet
o Doel: herstel + erkenning subj recht
OEFENING 1:
Mevrouw Selma Verbroekhoven is magistraat in Antwerpen. Na herhaaldelijke
ongepaste opmerkingen ten aanzien van partijen aanwezig tijdens haar zittingen,
wordt haar een tuchtmaatregel opgelegd. Zij zal drie weken geschorst worden.
Mevrouw Selma Verbroekhoven valt uit de lucht: hoewel zij reeds een opmerking
van haar overste ontving, was het voor haar niet duidelijk dat de situatie zo
ernstig was. Zij is dan ook van mening dat zij niet de gepaste kans heeft
gekregen om voorafgaand haar standpunt toe te lichten.
Heeft mevrouw Verbroekhoven het bij het juiste eind dat de hoorplicht
van toepassing is of zou er in dit geval van afgeweken kunnen worden?
Bij tuchtprocedures geldt het recht van verdediging en dus niet de
hoorplicht.