Written by students who passed Immediately available after payment Read online or as PDF Wrong document? Swap it for free 4.6 TrustPilot
logo-home
Document preview thumbnail
Preview 4 out of 40 pages
Summary

Samenvatting Biodiversiteit Plant | Universiteit Leiden | 2024/25 | Biologie leerjaar 1 | Protisten & fungi

Document preview thumbnail
Preview 4 out of 40 pages

Samenvatting van het college Biodiversiteit plant aan Universiteit Leiden, behandelend de classificatie en evolutie van planten, protisten en fungi. Het document dekt belangrijke onderwerpen zoals de historische ontwikkeling van het klassificatiesysteem, de vijf-rijkenleer van Whittaker, de drie domeinen van Woese, endosymbiose, en de fylogenetische relaties tussen organismen. Ideaal voor examenvoorbereiding: alle kernconcepten zijn helder uitgelegd met concrete voorbeelden van chloroplasten, mitochondriën, en secundaire endosymbiose.

Content preview

Samenvatting biodiversiteit plant, protisten en fungi
Vroeger werden bewegende organismen bij het dierenrijk ondergebracht en niet duidelijk
bewegende, min of meer vastzittende bij het plantenrijk. Vroeger werden in de plantkunde naast
planten ook de schimmels en wieren behandeld, alhoewel deze geen planten zijn. Carl
Linnaeus bijvoorbeeld deelde alle organismen zonder meeldraden in binnen een groep van het
plantenrijk; de Cryptogamia.

Vastzittende organismen als koralen en sponzen kregen al spoedig hun juiste plaats in het
dierenrijk, maar er bleek nog een ander, problematischer overgangsgebied tussen de zoölogie en
de botanie te zijn. Dat betrof de bewegende fotosynthetiserende organismen. Ernst Haeckel
stelde in 1866 voor om alle eencellige organismen protisten te noemen. De classificatie van de
organismen werd dus uitgebreid van twee naar drie rijken. Dit werd echter door niemand
geaccepteerd.

In 1969 introduceerde Robert Whittaker zijn vijf-rijkensysteem, waarin hij onderscheid maakte
tussen Monera (alle prokaryoten), Protista (protisten), Plantae (planten), Fungi (schimmels) en
Animalia (dieren).

Sinds het werk van Carl Woese (vanaf jaren 1970) weten we dat het
leven op het hoogste taxonomische niveau kan opgedeeld worden in
3 domeinen, de Archaea, Bacteria en Eukarya. Het merendeel van het
leven is prokaryotisch, zowel in termen van aantallen individuen en
soorten als de tijdsduur dat deze organismen al aanwezig zijn op
aarde.




De eukaryoten worden onderverdeeld in 4
supergroepen. Namelijk de:
-Excavata
-SAR clade
-Archaeplastida
-Unikonta

Planten, het rijk plantae horen tot de supergroep
archaeplastida. De dieren en fungi zijn onderdeel
van de supergroep unikonta. Dieren, planten en
fungi zijn alle drie monofyletische groepen.
Protisten daarentegen zijn een onnatuurlijke
polyfyletische groep en komen in alle vier de
supergroepen voor. De SAR-clade en de excavata
bijvoorbeeld bestaan alleen uit protisten.

,In de natuur zijn talrijke gevallen van endosymbiose gekend, waarbij een cel in een andere cel of
organisme leeft met voordeel voor meestal beide organismen. Vermoedelijk zijn eukaryoten
ontstaan door symbiose van verschillende prokaryote organismen. Mitochondriën en
chloroplasten worden beschouwd als restanten van endosymbiotische prokaryote organismen.

Hiervoor bestaan verschillende argumenten. Chloroplasten en mitochondriën bezitten hun
eigen DNA dat ringvormig is, zonder histonen, zoals bij de prokaryote organismen. Ook de
ribosomen in deze organellen lijken sterk op de ribosomen in prokaryote cellen. Vermoedelijk
zijn een groot aantal genen van de endosymbionten overgebracht naar de kern, zodat er maar
een klein gedeelte van het genoom overgebleven is in deze organellen.

Primaire endosymbiose: het opnemen van een cyanobacterie met als gevolg het ontstaan van
een chloroplast binnen een eukaryotische cel.

Men denkt dat eukaryoten cyanobacteriën als prooi aten. Maar er moet minstents één keer zo’n
bacterie niet verteerd zijn en zijn getransformeerd tot een fotosynthetisch organel.

Een deel van de genen van die cyanobacterie zijn overgedragen naar de eukaryotische celkern.
Hierdoor zullen er eiwitten gemaakt worden die de chloroplast nodig heeft in het cytoplasma.
Een heel groot deel van het DNA van die cyanobacterie gaat verloren tijdens deze
endosymbiose.

Dit proces is twee keer ontstaan.
90 miljoen jaar geleden zal een cyanobacterie als chloroplast opgenomen zijn door Paulinella.
Hij heeft onafhankelijk van de gehele andere groep chloroplasten gekregen. Het is een eencellig
organismen.

Wanneer een protist die al een bacterie in symbiose opgenomen heeft nog een andere protist
opneemt spreken we van Secundaire endosymbiose. Vervolgens kan dat organismen weer
opgenomen worden door een nieuwe protist, dit noemen we Tetreare endosymbiose.
Of een organismen ontstaan is uit primaire, secundaire of tetreare endosymbiose is af te leiden
aan het aantal membranen om de chloroplasten.

Rood- en groen wiertjes zijn afstammelingen van protisten die uit primaire endosymbiose zijn
ontstaan. Bruinwieren en andere soorten zijn ontstaan uit secundaire symbiose.
-Bruindieren zijn ontstaan uit een secundaire endosymbiose van een roodwiertje
-Oogwiertjes zijn ontstaan uit een secundaire endosymbiose van een groenwiertje

Protist: is de informele naam voor een groep van voornamelijk eencellige eukaryoten, met soms
rechtstreeks meercellige verwanten (wieren en algen). Protisten zijn polyfyletische groepen, en
geen rijk. Het is geen natuurlijke groep. Een protist is een eukaryoot organismen dat niet behoort
tot het rijk van de dieren, planten schimmels/fungi.
Wier of alg: wier (meercellig), alg (eencellig). Zijn alle foto synthetiserende eukaryoten
organismen die geen (land) planten zijn. Het is dus een onnatuurlijke groep, polyfyletische. De
term wier is een beschrijvende verzamelnaam.

Er zijn meercellige protisten als je de wieren en algen toevoegt in de groep van de protisten, zoals
de docent wel doet. Want wieren/algen zijn wel altijd protisten maar protisten zijn niet altijd
wieren/algen.

,Supergroep: Archaeplastida
Binnen de archaeplastida hebben we 5
verschillende groepen. De Rhodophyta
(roodwieren), Glaucophyta, Chlorophyta,
Charophyta (Chlorophyta en Charophyta zijn de
groenwieren) en de plantae. De Charophyta zijn
het nauwst verwant aan de plantae.




Glaucophyta
De Glaucophyta stammen meest recentelijk af van organismen die primaire endosymbiose
gedaan hebben. Dit is af te lijden aan:
- De thylakoïde van chloroplasten liggen op gelijke afstand aan elkaar en dragen fycobilisomen.
- Rond de chloroplast zitten twee membranen. Cyanobacterie hebben een eigen celmembraan
en daarom heen zit de voedselvacuole die blijft bestaan, hier is de cyanobacterie in gebleven.
- Tussen de twee membranen ligt en laagje peptidoglycaan. Dit is
een overblijfsel van de buitenste laag, de celwand, van de
cyanobacterie.

Er zijn maar 15 soorten gekend. Je ziet aan de buitenkant een
membraan liggen, dit is de moedercel die zich in vier dochtercellen
is gedeeld. Maar de moederlijke celwand zit nog om een kolonie
van vier dochtercellen. Binnen de dochtercellen zie je de
chloroplasten zitten.
-Het chlorofyl dat glaucophta hebben is alleen chlorofyl A.

, Chlorofyl A:
-alle planten en wieren
-absorbeert licht in blauwe en rode deel spectrum

Chlorofyl B:
-alle landplanten en groenwieren
-overdracht van energie

Chlorofyl C:
-sommige groepen protisten/wieren


Rhodophyta (roodwieren)
Er zijn voornamelijk macroscopische roodwieren en zijn voornamelijk mariene
organismen. Soms komen ze voor in zoet water, de meeste komen voor in warme
tropische kusten.

Typerend voor roodwieren is dat:
- Hun sporen en gameten geen flagellen bevatten en daarom akont zijn.
- Hun chloroplasten omgeven zijn door een dubbelmembraan
- Ze hebben chlorofyl A en chlorofyl D en hebben extra pigmenten zoals
fycoërythrine (rood) en fycocyanine
-Ze hebben fycobilisomen

Er zijn ook extremofiele roodwieren, deze soorten leven in zwavelhoudende warmwaterbronnen,
zure omgevingen en andere extreme omstandigheden. Hun aanpassingen aan deze ware
omstandigheden wordt toegeschreven aan horizontale gen overdracht van prokaryoten.

Roodwieren hebben allereerst hun flagellen verloren, hierbij ging zo’n 25% van hun genoom
verloren.

De niet-extremofiele soorten hebben hun genoom uitgebreid, mede door transposons
(springende genen). Dit heeft mogelijk bijgedragen aan de complexere celstructuur en
aanpassingen die roodwieren helpen te overleven in verschillende mariene omgevingen.

Sommige roodwieren, zoals Coralline algen, zetten zelfs calciumcarbonaat af in hun celwanden,
wat hen een harde, koraalachtige structuur geeft.

Document information

Study
Uploaded on
August 18, 2026
Number of pages
40
Written in
2024/2025
Type
Summary
$6.69

Wrong document? Swap it for free Within 14 days of purchase and before downloading, you can choose a different document. You can simply spend the amount again.
Written by students who passed
Immediately available after payment
Read online or as PDF

Sold
0
Followers
0
Items
28
Last sold
-




Why students choose Stuvia

Created by fellow students, verified by reviews

Quality you can trust: written by students who passed their exams and reviewed by others who've used these revision notes.

Didn't get what you expected? Choose another document

No problem! You can straightaway pick a different document that better suits what you're after.

Pay as you like, start learning straight away

No subscription, no commitments. Pay the way you're used to via credit card and download your PDF document instantly.

Student with book image

“Bought, downloaded, and smashed it. It really can be that simple.”

Alisha Student

Working on your references?

Create accurate citations in APA, MLA and Harvard with our free citation generator.

Working on your references?

Frequently asked questions