landplanten
Biodiversiteit: diversiteit aan leven op aarde
-Taxonomische diversiteit: verschillende soorten
-Genetische diversiteit: verschillende genomen
-Ecologische diversiteit: verschillende ecosystemen en habitat
-Functionele diversiteit: verschillende functies
-Historische context: hoe zijn soorten ontstaan
-Actuele context: hoe houdt de biodiversiteit zich nu staand
-Ruimtelijke context: welke soorten zijn er lokaal te vinden en welke
internationaal
-Utilitaire context: hoe kunnen we gebruik maken van de biodiversiteit zonder
deze uit te putten
Systematiek
: classificeren en ordenen van organismen op basis van evolutionaire
verwantschap
Taxonomie: beschrijven en classificeren Fylogenie:
evolutionaire verwantschap
Hiërarchische classificatie:
Domein>Rijk>Fylum>Klasse>Orde>Familie>Genus>Soort
Soort: basistaxon, individuen die sterk op elkaar lijken en samen vruchtbare
nakomelingen kunnen krijgen.
Homologie: gelijkenissen tussen soorten die gebaseerd zijn op een gedeelde
gemeenschappelijke voorouder.
Binominale naamgeving van Linnaeus:
Geslachtnaam met een hoofdletter en soortnaam met een kleine letter. Gevolgd
door een (afkorting) auteursnaam. Bij dieren ook het jaartal van benoeming.
Voorbeeld: Homo Sapiens (Linnaeus, 1945)
Integratieve taxonomie: het gebruik maken van meerdere kenmerken zoals,
genetisch, ecologisch en morfologisch om zo soorten van elkaar te
onderscheiden.
Fylogenetische hypothese/boom of fylogenieën:
Terminale tak: tak waar de boom eindigt (heden)
Interne tak: tak tussen twee hypothetische voorouders
-Dichotome classificatie, 1 hypothetische voorouder splitst altijd in twee
zustergroepen
, -Diagnose, Linnaeus gaf bij elke benoemde soort een kleine eigenschap waarop
de soort te onderscheiden was
Zustergroep
Hypothetische voorouder
Zustergroep
Convergentie: wanneer verschillende soorten dezelfde eigenschap hebben
maar dit niet af te leiden is aan een gemeenschappelijke voorouder maar dat
beide soorten dezelfde ecologische omstandigheden hebben ervaren waardoor ze
zich op dezelfde manier zijn gaan aanpassen. Hierdoor ontstaat homoplasie.
Apomorfie: een afgeleide eigenschap
Autapomorfie: een afgeleide eigenschap dat bij 1 taxon voorkomt
Synapomorfie: een gedeelde afgeleide eigenschap
Plesiomorfie: een oorspronkelijke eigenschap
Synplesiomorfie: een gedeelde oorspronkelijke eigenschap
Monofyletische groep: alle afstammelingen van 1 gemeenschappelijke
voorouder+ de voorouder
Parafyletische groep: niet alle afstammelingen van de gemeenschappelijke
voorouder
Polyfyletische groep: een onnatuurlijke groep gebaseerd op homoplasie
Mannelijk: Antheridium
Gametangia (Perichaetium):
Vrouwelijk: Archegonium
Reproductieve isolatie: populaties moeten zich op een of andere manier van
elkaar scheiden om geen nakomelingen te kunnen produceren, of dat de
nakomelingen steriel of onvruchtbaar zijn.
Plasmogamie: alleen de celmembranen die versmelten
Karyogamie: de celkernen die versmelten
Diplonte levenscycli: alles is diploïd behalve de gameten
Haplonte levenscycli: alles is haploïd behalve de zygote
Diplohaplonten levenscycli: (alle landplanten), de diplonte- en haplonte
levenscycli wisselen elkaar af:
De gametofyt (n) maakt gameten (n) doormiddel van mitose, die versmelten met
elkaar tijdens de bevruchting en er ontstaat een zygote (2n). De zygote groeit uit
tot de sporofyt (2n). De sporofyt produceert doormiddel van meiose sporen (n),
die uitgroeien tot een nieuwe gametofyt (n).
Heteromorf: sporofyt en gametofyt zijn morfologisch verschillend
Isomorf: sporofyt en gametofyt zijn morfologisch gelijk