anatomie
Anatomie: inwendige structuur en ontwikkeling van de stengel, wortel en bladeren behandelen.
Met een focus op de verschillende celtypen, weefsels, secundaire diktegroei. We bekijken de
monocotylen, eudicotylen en de coniferen.
De plantencel heeft een celwand die bestaat uit een primaire en een secundaire celwand, dit
hangt af van het type. Bij levende plantencellen is er aan de binnenkant van die celwand ook nog
een celmembraan en die omringt dan de levende celinhoud. Er zijn ook een aantal cellen die
geen levende celinhoud meer hebben.
Middenlamel: een soort cement laag je tussen naburige cellen dat er voor zorgt dat de naburige
cellen bij elkaar blijven.
Celdeling, celstrekking en celdifferentiatie:
We bekijken hiervoor een lengtedoorsnede van een bijwortels van een ui, dat is een monocotyl.
Onderaan hebben we een zone van celdeling met als belangrijkste deel van deze zone het
worteltop meristeem. Die maakt continu nieuwe cellen aan. Het worteltop meristeem heeft
een hele actieve delingsactiviteit.
,De cellen die naar beneden groeien noemen we de wortelmuts, wat het meristeem gaat
beschermen. De cellen die naar boven worden gevormd zijn de cellen die horen bij de primaire
wortel.
De zone erboven op is de zone van celstrekking. In deze zone gaan de nieuw gevormde cellen
strekken, als de strekking volgens 1 bepaalde richting verloopt dan is het zo dat de microtubuli
en ook de cellulosefibrillen hierin een heel belangrijke rol hebben. De microtubuli zitten aan de
binnenkant van het celmembraan en die begeleiden de cellulose-synthase complexen, die
zich in het celmembraan bevinden, die vormen de cellulose-microfybrillen.
De microtubuli en de cellulose-microfybrillen zullen altijd evenwijdig lopen aan elkaar. Als de
microtubuli ook nog eens evenwijdig lopen met elkaar dan gaan de cellulose-microfybrillen
hetzelfde doen.
De richting van de strekking zal altijd loodrecht staan op de richting van de cellulose-
microfibrillen, of op de richting van de microtubuli. Dit is zo omdat loodrecht op de richting ligt
de minste weerstand om de strekkingsgroei te kunnen ondergaan.
Wanneer een cel bolvormig gaat uitgroeien dan gaan de cellulose-microfybrillen en de
microtubuli kriskras door elkaar georiënteerd worden. Zodat de aangroei in elke richting
ongeveer even groot is wat resulteert in een bolvormige cel.
,Tijdens de zone van celstrekking zal het eerste deel van de celwand worden gevormd, en
dat is altijd een primaire celwand. Wanneer een cel aan het strekken is, groeien is, zal er
altijd alleen een primaire celwand worden gevormd. De secundaire celwand zou pas
worden gevormd in de zone van differentiatie en de cel helemaal volgroeit is.
Wanneer die primaire celwand tijdens de zone van celstrekking
wordt gevormd dan worden er ook hier en daar hele kleine poriën
gevormd. Dat zijn de plasmodesmata. Deze worden dus
gevormd tijdens de prille beginfase van de celwandvorming.
Plasmodesmata zijn zeer kleine openingen in een dunnen
celwand die de levende celinhoud van naburige cellen voorziet
van traspoort van voedingsstoffen. Het ER loopt vaak door de
plasmodesmata.
Plasmodesmata zijn zeer belangrijk in het symplasmisch
transport.
Er zijn twee grote types van transport in planten namelijk:
-Symplasmisch transport:
Verzorgt het transport van de levende celinhoud, via de plasmodesmata naar de levende
celinhoud van de naburige cel.
-Apoplasmisch transport:
Verzorgt het transport in de celwanden maar ook in intercellulaire ruimtes en celholtes van dode
cellen.
Celholtes van dode cellen; dan hebben we het vooral over de xyleemcellen die het
watertransport verzorgen van de wortels naar de bladeren. Dit zijn namelijk dode holle cellen en
het watertransport gebeurd daarin apoplasmisch.
De zone boven de zone van celstrekking noemen we de zone van differentiatie. Dit is het
oudste stukje van de primaire cellen, de cellen zijn hier al helemaal volgroeit en vormen hun
secundaire celwand. De cellen gaan zich differentiëren naar een bepaalde functie. Zo’n functie
kan bijvoorbeeld zijn een wortelharen cel, een cortex cel (geel), of een cel in de centrale
vaatbundel (paars).
, De vorming van een secundaire celwand verschilt per cel, sommige cellen zullen een
secundaire celwand vormen met heel veel lignine, de gelignifieerde cellen. Deze komen vaak
voor in het steunweefsel. De secundaire celwanden met veel lignine zijn vaak heel dik. Je hebt
ook andere types van cellen zoals kurkcellen waar vooral kurk wordt gevormd in de secundaire
celwand. Of cutine dat is een component van de cuticula, cellen met veel cutine in de
secundaire celwand zal je dus vooral vinden aan de buitenkant van stengels en bladeren.
Wanneer we het hebben over de vorming van een secundaire celwand tijdens de
groei/vorming van een cel. Hebben we het totaal niet over de secundaire diktegroei.
Secundaire celwand en secundaire diktegroei zijn twee totaal verschillende processen.
In de zonde van celdifferentiatie zal een secundaire celwand gevormd worden, maar op
bepaalde plekken in die celwand zal er geen secundair celwand materiaal worden afgezet. Daar
worden stippels gevormd. Dus een stippel is een zone in de volgroeide celwand, een celwand
met secundair celwand materiaal, waar geen secundair celwand materiaal wordt gevormd. Je
hebt er wel primair celwand materiaal en middenlamel. In de zone gaan er een aantal reacties
optreden dat die zone veel meer poriën krijgt dan de ruimte eromheen, dit noemen we dan het
stippel membraan.