Written by students who passed Immediately available after payment Read online or as PDF Wrong document? Swap it for free 4.6 TrustPilot
logo-home
Document preview thumbnail
Preview 4 out of 72 pages
Summary

Samenvatting alle stof PSI Theorietoets (PSI - Nieuwe Stijl)

Document preview thumbnail
Preview 4 out of 72 pages

Samenvatting van alle stof die je moet kennen voor de PSI Theorietoets (PSI - Nieuwe Stijl) aan de politieacademie. Geschreven op basis van de wetsartikelen die je moet kennen voor de theorietoets (uit de toetsmatrijs). De relevante stukken uit de volgende twee boeken zijn samengevat: Stapel en de Koning editie 2026 - Studie-editie deel 1 Stapel en de Koning Editie 2026 - Studie-editie deel 2

Content preview

Samenvatting PSI Theorietoets (Nieuwe Stijl)

Blok 1
1.2
Stapel en de Koning – deel 1 – Nederland een democratie
De grondwet = wet die de grondrechten en de democratische rechtstaat waarborgt.
Gelijkheidsbeginsel/ discriminatieverbod (art. 1 grondwet) = houdt in dat iedereen in ons land in gelijke
gevallen op een gelijke manier moet worden behandeld. Onderscheid, ook wel discriminatie genoemd, is
verboden.
 Allen die zich in Nederland bevinden, worden in gelijke gevallen gelijk behandeld. Discriminatie wegens
godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht, handicap, seksuele gerichtheid of op
welke grond dan ook, is niet toegestaan.
Om aan artikel 1 Grondwet te voldoen, kan de overheid niets anders dan in theorie uitgaan van ‘gelijke gevallen’
en ernaar streven dat deze in de praktijk ‘gelijk behandeld’ worden. Het uitgangspunt is dus een gelijke
behandeling. Dit wordt ook wel het ‘gelijkheidsbeginsel’ genoemd.
Verbod op willekeur: In de praktijk is evenwel geen enkel geval gelijk en zal de behandeling door de overheid
regelmatig moeten verschillen. De overheid mag dit verschil echter niet willekeurig maken. Artikel 1 Grondwet
verbiedt het niet om onderscheid te maken tussen ‘gevallen’, maar dit onderscheid moet gerechtvaardigd zijn.

De kopjes ‘Nederlanders en vreemdelingen’, ‘politieke vrijheden’, ‘vrijheid van vergadering en betoging’
en ‘vrijheid van godsdienst en levensovertuiging’ zijn niet opgenomen in de toetsmatrijs.

Persoonlijke levenssfeer burger (art. 10 tot en met 13 Grondwet) = beschermen de persoonlijke levensfeer
van de burger.
10
 1. Ieder heeft, behoudens bij of krachtens de wet te stellen beperkingen, recht op eerbiediging van zijn
persoonlijke levenssfeer.
 2. De wet stelt regels ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer in verband met het vastleggen en
verstrekken van persoonsgegevens.
 3. De wet stelt regels inzake de aanspraken van personen op kennisneming van over hen vastgelegde
gegevens en van het gebruik dat daarvan wordt gemaakt, alsmede op verbetering van zodanige
gegevens.
11
Ieder heeft, behoudens bij of krachtens de wet te stellen beperkingen, recht op onaantastbaarheid van zijn
lichaam.
12
 1. Het binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner is alleen geoorloofd in de
gevallen bij of krachtens de wet bepaald, door hen die daartoe bij of krachtens de wet zijn aangewezen.
 2. Voor het binnentreden overeenkomstig het eerste lid zijn voorafgaande legitimatie en mededeling van
het doel van het binnentreden vereist, behoudens bij de wet gestelde uitzonderingen.
 3. Aan de bewoner wordt zo spoedig mogelijk een schriftelijk verslag van het binnentreden verstrekt.
Indien het binnentreden in het belang van de nationale veiligheid of dat van de strafvordering heeft
plaatsgevonden, kan volgens bij de wet te stellen regels de verstrekking van het verslag worden
uitgesteld. In de bij de wet te bepalen gevallen kan de verstrekking achterwege worden gelaten, indien
het belang van de nationale veiligheid zich tegen verstrekking blijvend verzet.
15

 1. Buiten de gevallen bij of krachtens de wet bepaald mag niemand zijn vrijheid worden ontnomen.
 2. Hij aan wie anders dan op rechterlijk bevel zijn vrijheid is ontnomen, kan aan de rechter zijn
invrijheidstelling verzoeken. Hij wordt in dat geval door de rechter gehoord binnen een bij de wet te
bepalen termijn. De rechter gelast de onmiddellijke invrijheidstelling, indien hij de vrijheidsontneming
onrechtmatig oordeelt.
 3. De berechting van hem aan wie met het oog daarop zijn vrijheid is ontnomen, vindt binnen een
redelijke termijn plaats.
 4. Hij aan wie rechtmatig zijn vrijheid is ontnomen, kan worden beperkt in de uitoefening van
grondrechten voor zover deze zich niet met de vrijheidsontneming verdraagt.

,Privacy (Art. 10 grondwet): Artikel 10 geeft het algemene uitgangspunt dat iedereen recht heeft op privacy. Dit
recht is eveneens nader in een wet geregeld. Voor de gegevens waarover de politie beschikt, geldt daarnaast een
speciale regeling; de Wet politiegegevens.
Onaantastbaarheid lichaam (art. 11 grondwet): Artikel 11 richt zich op de onaantastbaarheid van het lichaam.
Net als de meeste andere grondrechten is ditgeen absoluut recht, want het kan bij wet worden beperkt.
Bijvoorbeeld in het geval van onderzoek aan kleding en lichaam door de politie bij verdachten.
Huisrecht (art. 12 grondwet): Artikel 12 beschermt het huisrecht. Ook hier geldt weer dat iedereen in principe
recht heeft op eerbiediging van zijn huisrecht, maar ook dat dit recht beperkt kan worden. De wet die een
beperking op het huisrecht aanbrengt, moet nauwkeurig de gevallen omschrijven waarin een inbreuk op het
huisrecht is toegestaan en moet ook de functionarissen aanwijzen die bevoegd zijn om binnen te treden.
Binnentreden (art. 12 lid 2 grondwet): geeft een aantal vormvoorschriften die in de Algemene wet op het
binnentreden nader worden uitgewerkt. Zo mogelijk moet van tevoren het doel van het binnentreden aan de
bewoner worden gemeld. Daarnaast zijn opsporingsambtenaren in beginsel verplicht zich te legitimeren en moet
achteraf altijd een verslag van het binnentreden worden opgemaakt.
Vrijheidsontneming (art. 15 grondwet): volgens lid 1 van dit artikel mag niemand zomaar van zijn vrijheid
worden beroofd. Vrijheidsontneming mag namelijk alleen in de gevallen die de wet aangeeft. Lid 2 beschermt
mensen die zonder rechterlijk bevel van hun vrijheid zijn beroofd: zij kunnen de rechter verzoeken hen in vrijheid
te stellen. Lid 3 beschermt verdachten die in voorarrest zitten en dus in afwachting van de zitting al van hun
vrijheid zijn beroofd. Zij hebben er recht op dat hun zaak binnen een redelijke termijn door de rechter behandeld
wordt. Tot slot maakt lid 4 het mogelijk de grondrechten van gevangenen te beperken.

De rest van dit hoofdstuk is niet opgenomen in de toetsmatrijs.

Stapel en de Koning – deel 1 – De opsporingsambtenaar – paragraaf 3.4
Meineed (art. 207 Sr) = een proces-verbaal moet ondertekend worden door de verbalisant. Hiermee geeft deze
aan dat wat er in het proces verbaal staat, juist is. Als de verbalisant op ambtseed/ambtsbelofte heeft opgemaakt
en ondertekend wetend dat er onjuistheden in staan of dat bepaalde handelingen of waarnemingen worden
verzwegen kan dit valsheid in geschrifte (art. 255 Sr) dan wel meineed opleveren.
Art. 207 stelt degene die opzettelijk een valse verklaring aflegt terwijl hij onder ede staat, ongeacht of dit
mondeling of schriftelijk gebeurt.
 1. Hij die in de gevallen waarin een wettelijk voorschrift een verklaring onder ede vordert of daaraan
rechtsgevolgen verbindt, mondeling of schriftelijk, persoonlijk of door een bijzonder daartoe
gemachtigde, opzettelijk een valse verklaring onder ede aflegt, wordt gestraft met gevangenisstraf van
ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie.
 2. Indien de valse verklaring is afgelegd in een strafzaak ten nadele van de beklaagde of verdachte,
wordt de schuldige gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste negen jaren of geldboete van de vijfde
categorie.
 3. Met de eed staat gelijk de belofte of bevestiging die krachtens de wet voor de eed in de plaats treedt.
 4. Ontzetting van de in artikel 28, eerste lid, onder 1°, 2° en 4°, vermelde rechten kan worden
uitgesproken.
Verklaring onder ede: door een beëdigd persoon een verklaring afleggen (in de rechtbank bijvoorbeeld)
Of daaraan rechtsgevolgen verbind: dan zit je in een proces-verbaal van de politie (dus wanneer je als
ambtenaar een valse verklaring in een proces verbaal opneemt, maak je je schuldig aan meineed en valsheid in
geschrifte (zie ook valsheid in geschrifte bij blok 3.2)).




2

,1.3
Stapel en de Koning – deel 1 – De opsporingsambtenaar – paragraaf 3.3 & 3.6
Ambtenaren van de politie (art. 2 politiewet 2012) = een algemeen opsporingsambtenaar is belast met de
opsporing van (in beginsel) alle strafbare feiten. Er zijn drie groepen opsporingsambtenaren met een algemene
opsporingstaak. Een hiervan zijn de ambtenaren van de politie.
Ambtenaren van politie in de zin van deze wet zijn:
 a. ambtenaren die zijn aangesteld voor de uitvoering van de politietaak;
 b. ambtenaren die zijn aangesteld voor de uitvoering van technische, administratieve en andere
taken ten dienste van de politie;
 c. vrijwillige ambtenaren die zijn aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, onderscheidenlijk
voor de uitvoering van technische, administratieve en andere taken ten dienste van de politie;
 d. ambtenaren van de rijksrecherche die zijn aangesteld voor de uitvoering van de politietaak,
onderscheidenlijk voor de uitvoering van technische, administratieve en andere taken ten dienste
van de rijksrecherche.
In principe hebben alle politiefunctionarissen algemene opsporingsbevoegdheid, behalve de medewerkers die
een ondersteunende taak verrichten, zoals de technische dienst, de kantine etc. (zoals genoemd in artikel 2
onder b van de Politiewet 2012).
De ambtenaren van politie met een algemene opsporingstaak kunnen worden verdeeld in drie groepen:
1. Ambtenaren aangesteld voor de uitvoering van de politietaak (art. 2 onder a Politiewet 2012). Dit
zijn alle medewerkers van de politie met een politietaak; zij worden de executieve politiefunctionarissen
genoemd: hoofdcommissaris, commissaris, hoofdinspecteur, inspecteur, brigadier, hoofdagent, agent,
surveillant van politie en aspirant,
2. Vrijwillige ambtenaren aangesteld voor de uitvoering van de politietaak (art. 2 onder c
Politiewet2012). Dit zijn onbetaalde vrijwilligers die de politie, bijvoorbeeld bij grote evenementen,
ondersteunen.
3. Ambtenaren van de Rijksrecherche die zijn aangesteld voor de uitvoering van de politietaak,
onderscheidenlijk voor de uitvoering van technische, administratieve en andere taken ten dienste
van de Rijksrecherche. De Rijksrecherche verricht de opsporingsonderzoeken als er verdenking
bestaat dat er binnen de overheid, bijvoorbeeld bij de politie, strafbare feiten zijn gepleegd.

Territoriale bevoegdheid (art. 6 politiewet 2012) = bepaalt dat ambtenaren van politie bevoegd zijn hun taak in
het hele land uit te oefenen. Lid 2 van ditzelfde artikel komt met een beperking: hoewel bevoegd in het gehele
land, treedt de ambtenaar van politie in principe alleen op in het gebied van zijn regionale eenheid. Buiten zijn
gebied van tewerkstelling oefent hij alleen zijn taken uit als dit dringend noodzakelijk is of met toestemming van
het bevoegd gezag.
 1. De ambtenaar van politie is bevoegd zijn taak uit te oefenen in het gehele land.
 2. Hoewel bevoegd in het gehele land, onthoudt de ambtenaar van politie die is tewerkgesteld bij een
regionale eenheid, zich van optreden buiten zijn gebied van tewerkstelling, tenzij zijn optreden
redelijkerwijs noodzakelijk is, dan wel ingevolge regels, gesteld bij of krachtens de wet, dan wel in
opdracht of met toestemming van het bevoegd gezag over de politie.

Stapel en de Koning – deel 2 – Taak van de politie
Taak van de politie (art. 3 politiewet 2012) = de taak van de politie wordt in art. 3 van de Politiewet 2012
omschreven.
De politie heeft tot taak in ondergeschiktheid aan het bevoegd gezag en in overeenstemming met de
geldende rechtsregels te zorgen voor de daadwerkelijke handhaving van de rechtsorde en het verlenen
van hulp aan hen die deze behoeven.
Een gedetailleerde opsomming maken van alle politietaken is ondoenlijk. Dit zijn er namelijk veel. Vaak zal een
taak alleen maar kenbaar zijn uit het geheel van alle wetten. Er zijn echter altijd situaties waarin de wet niet
voorziet en niet kan voorzien. Voor die situaties wordt vaak een beroep gedaan op artikel 3 van de Politiewet
2012, maar niet altijd terecht. De politiepraktijk had de ruimte die de taakstelling in de Politiewet bood na verloop
van tijd behoorlijk ingevuld en deed daar soms onterecht een beroep op. Onder meer daarom werd de
opsporingspraktijk in 1996 door een commissie van de Tweede Kamer onderzocht (de commissie-Van Traa). Dit
heeft ertoe geleid dat vergaande opsporingsbevoegdheden die niet in een wet waren geregeld en op de
Politiewet werden gebaseerd, nu in het Wetboek van Strafvordering zijn opgenomen. Wij noemen dit onderdeel
‘bijzondere opsporingsbevoegdheden’.

Reikwijdte art. 3: over de reikwijdte van de wet geeft de wet zelf geen uitsluitsel.




3

, Jurisprudentie: Inbreuken op de grondwettelijk en verdragsrechtelijk gegarandeerde fundamentele rechten van
de burgerzijn niet geoorloofd, tenzij een verdrag of de Grondwet daarin voorziet. Indien de Grondwet dergelijke
beperkingen toelaat, dan worden deze geformuleerd door of via een wet in formele zin. Inbreuken op het recht op
de persoonlijke levenssfeer zijn alleen op deze wijze toegestaan. De bevoegdheid tot het maken van een inbreuk
moet voldoende kenbaar en voorzienbaar voor de burger in de wet zijn omschreven. Een algemene formulering
als artikel 3 van de Politiewet 2012 voldoet niet aan die eis. De ontwikkeling van het recht op bescherming van de
persoonlijke levenssfeer en de toenemende technische verfijning en intensivering van opsporingsmethoden en
technieken verlangen een meer precieze legitimatie voor zulke inbreuken. Echter, de Hoge Raad is van mening
dat een beperkte inbreuk wel op artikel 3 van de Politiewet 2012 kan worden gebaseerd. Hierbij moet worden
opgemerkt dat dit allemaal overwegingen zijn in het kader van de opsporing.

In ondergeschiktheid aan het bevoegd gezag: hiermee wordt bedoeld dat de politie geen zelfstandige macht
heeft maar naar de aanleiding van anderen onderhevig is (de burgemeester of OvJ). Het bevoegd gezag kan
hierbij voor de vervulling van de taken van de politie de nodige aanwijzingen geven.
Rechtsorde: het voornaamste bestanddeel van de politietaak vormt de ‘daadwerkelijke handhaving van de
rechtsorde’. De rechtsorde is het geheel van geschreven en ongeschreven regels (voor de politie specifiek binnen
het strafrecht).
Daadwerkelijke handhaving van de rechtsorde en openbare orde: onder ‘handhaving van de rechtsorde’
wordt verstaan: de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde en de handhaving van de openbare orde.
Openbare orde: heeft met name betrekking op de algemene veiligheid en rust van personen en goederen op
openbare plaatsen. Handhaving van de openbare orde hoeft niet altijd het handhaven van rechtsregels met zich
mee te brengen (een ruzie sussen leidt niet altijd tot een proces verbaal bijvoorbeeld). De toevoeging
‘daadwerkelijke handhaving’ geeft aan dat de politie bij de feitelijke handhaving van rechtsorde bijvoorbeeld
gebruik kan maken van fysieke dwang op grond van haar geweldsbevoegdheid.
In overeenstemming met de geldende rechtsregels: betekent ook dat de politie bij de uitoefening van haar
taak niet onnodig hard optreedt en de haar toekomende bevoegdheden niet onnodig of onjuist gebruikt.

Stelsel van bewaken en beveiligen: Uitgangspunt van het stelsel van bewaken en beveiligen is dat burgers zelf
verantwoordelijk zijn voor hun veiligheid. Ze mogen daarbij rekenen op de organisaties waar ze deel van
uitmaken of voor werkzaam zijn. Bedrijven en instellingen dienen maatregelen te nemen om te voorkomen dat de
veiligheid van medewerkers in gevaar komt als gevolg van hun werkzaamheden. De overheid neemt pas
beveiligingsmaatregelen als een burger op eigen kracht geen weerstand meer kan bieden tegen de aantasting
van zijn veiligheid ende dreiging en het risico daartoe aanleiding geven. De overheid wordt in dat geval niet
verantwoordelijk oor de veiligheid van deze persoon, maar slechts voor de beveiligingsmaatregelen die zij neemt.
Veiligheid is immers een uitkomst die niemand kan garanderen, ook de overheid niet.

Hulpverlening: Artikel 3 van de Politiewet 2012 heeft het ook over hulpverlening aan hen die deze behoeven.
Deze algemene bepaling maakt strikt genomen de politie tot hulpverlener voor elke situatie. De politie is echter
niet als enige organisatie belast met een hulpverlenende taak. De eerste opvang staat daarbij centraal en de
hulpverlening bestaat vooral uit het adequaat doorverwijzen van mensen naar de juiste instanties. De vraag is wat
onder hulpverlening moet worden verstaan. Dat zal per situatie verschillen. De Ambtsinstructie noemt in de
artikelen 24 en 25 een aantal situaties die in elk geval onder hulpverlening (en dus de taak van de politie) dienen
te worden begrepen.
1. De politieambtenaar wijst personen met lichte verwondingen, ziekteverschijnselen en personen ten
aanzien van wie twijfel op dit punt bestaat de weg naar een huisarts of naar een EHBO-afdeling vaneen
ziekenhuis. Indien noodzakelijk, bemiddelt de politieambtenaar bij het verkrijgen van passend vervoer.
2. De politieambtenaar zorgt ervoor dat personen met ernstige verwondingen en bewustelozen, waaronder
personen die niet wekbaar of niet aanspreekbaar zijn, per ambulance naar het ziekenhuis worden
vervoerd.
3. De politieambtenaar zorgt er zoveel mogelijk voor dat personen die door drankgebruik of door andere
oorzaken onmiddellijk gevaarlijk zijn voor zichzelf of voor de openbare orde, veiligheid of gezondheid op
de meest geschikte wijze van openbare plaatsen worden verwijderd.
4. De onder punt 3 genoemde personen worden overgedragen aan het eigen zorgkader (ouders,
echtgenoot, familie enzovoort). Als deze opvangmogelijkheden ontbreken, kunnen zij bij wijze van
hulpverlening ook op het politiebureau worden ondergebracht, indien dit nodig is voor hun bescherming
en dit niet tegen hun wil geschiedt
5. Als van deze voornoemde personen bekend is dat zij geestelijk gestoord zijn of lijken, waarschuwt de
politieambtenaar een arts, nadat zo mogelijk geprobeerd is contact te zoeken met de eigenhuisarts.




4

Document information

Uploaded on
August 18, 2026
Number of pages
72
Written in
2026/2027
Type
Summary
$12.81

Wrong document? Swap it for free Within 14 days of purchase and before downloading, you can choose a different document. You can simply spend the amount again.
Written by students who passed
Immediately available after payment
Read online or as PDF

Sold
1
Followers
0
Items
1
Last sold
1 month ago



Why students choose Stuvia

Created by fellow students, verified by reviews

Quality you can trust: written by students who passed their tests and reviewed by others who've used these notes.

Didn't get what you expected? Choose another document

No worries! You can instantly pick a different document that better fits what you're looking for.

Pay as you like, start learning right away

No subscription, no commitments. Pay the way you're used to via credit card and download your PDF document instantly.

Student with book image

“Bought, downloaded, and aced it. It really can be that simple.”

Alisha Student

Working on your references?

Create accurate citations in APA, MLA and Harvard with our free citation generator.

Working on your references?

Frequently asked questions