1. Cross-check
Gehoor bij jonge kinderen= onderzoeken we aan de hand van een
testbatterij bestaande uit zowel objectieve als subjectieve testen
1 test volstaat meestal niet om tot een correcte audiologische
diagnose te komen
Dankzij een cross-check= wezen ze op een foutieve diagnose en
benadrukten ze het belang van een uitgebreide testbatterij
Het cross-checkprincipe= gaat ervan uit dat we geen enkel resultaat
mogen accepteren zonder bevestiging door een of meer andere metingen
1 enkel testresultaat kan tot een misdiagnose leiden
De huidige pediatrische audiometrische testbatterij= ondertussen
uitgebreid met onder andere hoogfrequente impedantiemetrie (1000Hz)
voor de neonaten, frequentiespecifieke tone burst-BERA (TB-BERA),
otoakoestische emissies en auditory steady state respons
Het resultaat van de verschillende testen= kunnen we overzichtelijk
weergeven op een audiogram
Duidelijke manier om ouders een idee te geven van het
gehoorverlies van hun kind
Diagnostiek= start onmiddellijk na een positieve screening en blijft
doorlopen tijdens de hele verdere follow-up van het kind
Het stroomdiagram= toont de BIAP-aanbeveling voor audiologisch
diagnostisch onderzoek na een refer bij de neonatale gehoorscreening
1st worden de objectieve testen afgenomen, daarna de subjectieve
Na de diagnostiek= onderscheiden we drie groepen kinderen:
Bilateraal licht gehoorverlies= kleiner of gelijk aan 35dBHL
Een bilateraal gehoorverlies groter dan 35 dBHL
o Deze groep= heeft onmiddellijke interventie nodig
Een unilateraal gehoorverlies
Bij een hoortoestelaanpassing= vormt de audiologische diagnostiek de
basis voor de nodige versterking en output van het hoortoestel
Het cross-checkprincipe= blijft gelden voor de diagnostiek bij een kind met
een late onset, verworven of gemist gehoorverlies
De inhoud= wijzigt naargelang de leeftijd waarop het kind wordt
aangemeld
, 2. De subjectieve gedragsaudiometrie
De subjectieve gedragsaudiometrie= een essentieel onderdeel van een
pediatrische audiometrische testbatterij
De resultaten= moeten elkaar aanvullen en bevestigen: cross-
checkprincipe
Gedragsaudiometrie= moeten we aanpassen aan de ontwikkelingsleeftijd
De ontwikkelingsleeftijd= bepaalt dus welk onderzoek uitvoerbaar en
bruikbaar is
Gedragsaudiometrie= subjectief en hangt af van de reactie of respons van
het kind
De interpretatie van de respons= ook subjectief
2.1 Algemene principes bij subjectieve audiometrie
2.1.1 transducers
Via de transducers bieden we de auditieve stimuli aan elke transducer
heeft op zich voor- en nadelen naargelang de testsituatie
Beengeleider:
De 1e metingen gebeuren het best met een beengeleider om
meerdere redenen
o Geven onmiddellijke responsen van het binnenoor
o We kunnen het kind betrouwbaar conditioneren
Ongeacht de graad van het gehoorverlies= reageert elk kind op de
vibrotactiele frequenties
o Moet een voldoende groot opp hebben
o Goed tegen het hoofd aangedrukt worden
o Voorkeur: mastoïd of net boven de oorschelp
Mogelijk vanaf de geboorte
Maken gebruik van een softband of een aangepaste diadeem
Insert earphone (ER-3A)
Inserttelefoons= ideale transducers bij jonge kinderen om oorspecifieke
drempels te meten
Wordt met een foam tip of een infant tip in de gehoorgang geplaatst
Als we individueel op maat gemaakte oorstuk op de inserttelefoon
plaatsen, krijgen we een perfecte afsluiting
Omgevingsgeluiden= gemakkelijk gedempt
We moeten minder snel maskeren + de overhoorverzwakking voor
maskeerruis neemt hierdoor toe
, Met inserttelefoons= geen kans op een collaps van de gehoorgang en
heeft het kind voldoende bewegingsvrijheid
Supra-aurale koptelefoon
Koptelefoons= kleine luidsprekers die ingebouwd zijn in een schelp
Standaard klinische koptelefoon= niet aangepast aan een
kinderenhoofd waardoor het gevaar voor een collapsed ear bestaat
De oorschelp en de gehoorgang worden vervormd en geeft een vals
beeld van een transmissiestoornis
De AT1350= speciaal ontworpen voor een kinderhoofd
Vrijveld
Geeft geen oorspecifieke informatie, enkel het resultaat van het
beste oor
We gebruiken dan de gegevens uit andere onderzoeken om
oorspecifieke conclusies te trekken
Nuttig= om ouders te betrekken in de diagnostiek
Gebruiken we uiteraard wel: om de drempels met auditieve correctie
te bepalen
2.1.2 invloed van de transducer op de werkelijke gehoordrempel van
een kind
Invloed van de transducer bij luchtgeleiding
Het oorkanaalvolume= bij jonge kinderen kleiner dan bij volwassenen
De audioloog= houdt het best rekening met een toename van het geluid
ter hoogte van het trommelvlies
Binnen de diagnostiek= gebruikt een audioloog bij drempelbepaling een
omrekentabel om het werkelijke niveau ter hoogte van het trommelvlies te
kennen
geen omrekening nodig als we de drempels gebruiken binnen de
hoortoestelaanpassingen
Enkel verschil tijdens de 1e 6 maanden
Invloed van de transducer bij beengeleiding
De kalibratie of ijking van een BG= gebaseerd op de masse van een
volwassen hoofd
Een babyschedel= nog niet volgroeid, waardoor de massa verschilt
Omdat de massa kleiner is, zal de vibratie van de
beengeleidingstimulus sterker zijn op het hoofd van een baby
De fontanellen= nog niet dichtgegroeid waardoor de geleiding naar het
linker- of rechteroor verschillend kan zijn