1. Onderzoek van de spraakperceptie en het spraakverstaan
Keuze van de woordenlijsten= houden we rekening met:
De leeftijd
De taalvaardigheden
De woordenschatkennis
De verstandelijke mogelijkheden van het kind
Voordat het kind in staat is woorden te begrijpen kunnen we de
spraakperceptie evalueren
Krijgen we een idee van de impact van het gehoorverlies, effect van
de hoorhulpmiddelen en niveau van de centrale verwerking
Meten van het spraakverstaan= kan pas vanaf 2.5jaar a.d.h.v. aangepaste
woordenlijsten
Vanaf 7 jaar= de taalvaardigheid van kinderen voldoende ontwikkeld om
de klassieke spraakaudiometrische lijsten af te nemen
1.2 Basisprincipes
1.2.1 spraakaudiometrische testen vs auditieve performantietesten
Klassieke spraakaudiometrie of vocale audiometrie= spraaklijsten gebruikt
In tegenstelling tot toonaudiometrie= het gebruikte materiaal bij klassieke
spraakaudiometrie niet universeel
elke taalgroep heeft eigen spraaklijsten en verschillen regionaal
zelf in Vlaanderen en Nederland= woordenlijsten en opnames
verschillend
Bij jongere kinderen= krijgen we informatie over de spraakperceptie
a.d.h.v. auditieve performantietesten
deze testen zijn taalonafhankelijk en worden internationaal gebruikt
1.2.2 parameters bij spraakaudiometrische testen
Spraakverstaandrempel= Het niveau waarop 50% van de woorden wordt
verstaan: speech reception threshold + uitgedrukt in dBSPL
Gevoeligheidsverlies= het verschil tussen het 50%-punt van de normcurve
en het gemeten 50%-punt.
kunnen we bepalen als we over de juiste normcurve beschikken
er is een correlatie tussen het verlies op de toonaudiometrie en de
mate in gevoeligheidsverlies
, Woord- of foneemscore= afhankelijk van de gebruikte lijst bepalen we
woord- of foneemscore
Het discriminatieverlies= enkel mogelijk als we gebruikmaken van een
foneemscore
Het spraakverstaan= normaal zonder spraakafzien gemeten is dat te
moeilijk kan er met spraakafzien afgenomen worden
krijgen we een audiovisuele score en de mate waarin de
suprasegmentele informatie bijdraagt tot het spraakverstaan
1.2.3 passieve vs actieve spraakaudiometrie
Passieve spraakaudiometrie= het kind moet het gehoorde woord enkel
passief kennen, meestal moet het gehoorde woord dan wel worden
aangeduid
Actieve spraakaudiometrie= het kind moet het gehoorde woord herhalen,
zijn articulatie moet daarbij voldoende ontwikkeld zijn
1.2.4 Gesloten vs open set
Gesloten set= beschikt het kind over een beperkt aantal prenten of
voorwerpen waaruit het gehoorde woord kan worden gekozen
Open set= het kind krijgt woorden te horen zonder enige aanwijzing
vooraf, kind moet het gehoorde woord nazeggen
1.2.5 spraakaudiometrie bij kinderen vs volwassenen
Voor kinderen= minder differentiatie in het beschikbare materiaal
geen spondee-, zinnen-, of cijferlijsten beschikbaar voor de jonge
doelgroep
1.2.6 klinische setting vs hoortoestelaanpassing
Klinische setting= afname onder koptelefoon + indien nodig maskering
van het NTO
Hoortoetselaanpassing= afname gebeurt in vrij veld
1.2.7 spraak in stilte vs lawaai
Spraaklijsten= nemen we eerst in stilte af
idee= van het max spraakverstaan, het 50%-punt of de
spraakverstaandrempel en de discriminatiefouten
Mogelijk is om het spraakverstaan in ruis bij kinderen te meten= krijgen
we een beeld van de centrale verwerking
1.2.8 klassieke vs adaptieve methode