1. Inleiding
Bij toonaudiometrie: gebruikt men als stimulus= zuivere tonen of
kunstmatige geluiden om een kwantitatieve beoordeling van het gehoor
door te voeren
Bij spraakaudiometrie= maakt men gebruik van spraakstimuli, hetgeen
complexe geluidspatronen zijn.
Onderzoekt: niet alleen het perifere gehoor, maar ook het
identificatieproces van een complex geluidssignaal
o Hoofdzakelijk= een kwalitatieve beoordeling van het gehoor,
waarbij men zicht krijgt op het spraakverstaan van een cliënt
De resultaten kunnen gebruikt worden:
Als evaluatie van de communicatieproblemen die bij gehoorverlies
kunnen optreden
Als controle op de drempel bekomen met toonaudiometrie
Als bijdrage tot het lokaliseren van het letsel binnen het auditieve
systeem
Als differentiaaldiagnose bij gehoorstoornissen
Om het nut van therapeutische procedures te bepalen
Om de mate van sociale handicap vast te stellen
In medico-legale situaties
2. Afname van een spraakaudiogram
2.1 Testomgeving
De afname= gebeurt in een geluidsarme cabine
Apparatuur= men maakt gebruik van een klinische audiometer
spraakmateriaal wordt aangeboden
De cliënt zal het spraaksignaal opvangen via een transducer en
krijgt de opdracht het gehoorde signaal te herhalen of in een reeks
prenten de prent aan te wijzen die overeenkomt met het
aangeboden spraaksignaal
De spraakstimuli= aangeboden via een geijkte opname of ingesproken
worden door de onderzoeker door gebruik te maken van een microfoon die
gekoppeld is aan de audiometer
Door gebruik te maken van een geijkte opname= een betere
controle van het geluidsniveau en de aanbieding van de woorden is
niet afhankelijk van de spraakkwaliteit van de onderzoeker
Meer standaardisatie op die manier
,Indien live woorden worden aangeboden= mag het mondbeeld niet gezien
worden
Als men het mondbeeld niet verstopt= noteren dat de test met
spraakafzien afgenomen werd
Verschillende transducers hanteren:
Meestal gebruik gemaakt van: een koptelefoon
o Spraakverstaan per oor bepalen
Meting in vrij veld: via 1 of 2 luidsprekers
o Slechts informatie over het beste oor
o Wil men toch oorspecifieke informatie= schakelt men het NTO
tijdelijk uit door te maskeren
o Gebruikt: bepalen van het nut van hoorapparaten
2.2 Kalibratie
Voor men afneemt= dient men eerst te kalibreren
Alleen dan is men zeker dat het ingestelde geluidsniveau via de
audiometer ook daadwerkelijk het juiste uitgangsniveau ter hoogte
van de transducer is
Dient dagelijks uitgevoerd te worden voorkeur: aan het begin van
de werkdag
De juiste procedure= verschilt per audiometer en per CD-speler
Indien de spraaklijsten geïntegreerd zijn in de software van de audiometer
dient deze dagelijkse kalibratie niet gedaan te worden
Wel belangrijk dat de audiometer niet alleen jaarlijks voor
toonaudiometrie, maar ook voor spraakaudiometrie gekalibreerd
wordt door een technieker
o Moet vermeld worden dat dit in decibel Sound Pressure Level
moet gebeuren en niet in dBHL
2.3 Stimulusparameters
2.3.1 soort stimulus
verschillende soorten spraakmateriaal gebruikt:
1. Getallen:
Het vocabularium van getallen is beperkt, waardoor er weinig variatie
mogelijk is, getallen worden om deze reden bijna nooit gebruikt
2. Zinnen:
, Kan aangewezen zijn bij moeilijk te testen personen, personen met
cognitieve problemen, personen met een laag scholingsniveau en kleine
kinderen. Er is wel geen norm, maar men kan wel een algemeen beeld
krijgen over de mogelijkheden om spraak te verstaan
3. Spondeeën:
Een spondee= een tweelettergrepig woord, waarvan de lettergrepen niet
gelijkend zijn en waarbij op geen van de 2 lettergrepen een klemtoon ligt
De American Speech and Hearing Association (ASHA): suggereert
het gebruik van spondeelijsten als standaardprocedure om het
spraakverstaan na te gaan
Spondeelijsten= vaakst gebruikt voor de afname van spraakaudiometrie
binnen de klinische audiologie en in mindere mate binnen de domeinen
hoortoestelaanpassing en gehoorrevalidatie
Voorbeelden:
BLU-lijst= Vlaamse lijst
Fournier-lijst= Franse lijst
De BLU-lijst= een spondeelijst die tot stand is gekomen door de
samenwerking van 3 audiologische diensten: Brugge, Leuven en Utrecht
Bevat 15 kolommen van telkens 10 spondeeën
Elke kolom heeft dezelfde moeilijkheidsgraad en een ideale
fonetische spreiding wat de vocalen betreft
= uitgebalanceerde lijsten
Fournier-lijst= men maakt gebruik van de tweelettergrepige woordenlijst
Vindt zijn oorsprong in Frankrijk, maar is qua woordenschat
aangepast aan de Franse taal gebruikt in België
Bestaat uit: 20 kolommen van telkens 10 tweelettergrepige woorden
4. Monosyllaben:
Ook gewerkt worden met monosyllaben of eenlettergrepige woorden die
telkens uit 3 fonemen bestaan
Monosyllabische woordenlijst= de NVA-lijst: opgesteld in Nederland door
de Nederlandse Vereniging Audiologie (NVA)
Bestaat uit 15 kolommen en per kolom zijn er telkens 12 woorden: 1
aanloopwoord en 11 testwoorden
De NVA-lijst= een fonetisch gebalanceerde lijst dat in elke kolom de
fonemen in dezelfde mate voorkomen als in onze dagdagelijks gebruikte
taal