arbeidsverhoudingen in (inter)nationaal
perspectief (RGMUPRV031)
Opdrachten week 1
Opdracht 1.1
Edith Tummers is eigenares van kinderopvang 24/7-Care in ‘t Gooi. Zij biedt niet alleen
overdag, maar ook ’s avonds en zelfs ’s nachts opvang aan. Zij heeft zo’n twintig leidsters in
dienst, waaronder Dora, Maya en Ash. Edith is aangesloten bij de Brancheorganisatie
Kinderopvang (BK). Deze vereniging is partij bij de cao Kinderopvang 2025-2026 (de ‘cao’;
neem aan dat deze niet algemeen verbindend is verklaard). De andere partij bij deze cao is
vakvereniging CNV Zorg en Welzijn, waar Dora lid van is. Maya twijfelt of zij misschien lid
wil worden; Ash wil niets met vakverenigingen te maken hebben.
Een aantal leidsters besluit de tekst van de cao eens goed te bestuderen. Het valt hen daarbij
op dat de cao bepaalt dat leidsters recht hebben 66 uur bovenwettelijk vakantieverlof. In hun
individuele arbeidsovereenkomsten staat slechts het wettelijk vakantieverlof (144 uur)
vermeld. Het basissalaris waar ze volgens de cao recht op hebben, is daarentegen een stuk
lager dan het bedrag dat Edith ze betaalt. Dit scheelt een paar honderd euro per maand. Edith
beschouwt het hogere basissalaris als compensatie voor het lagere aantal vakantie-uren.
a. Kunnen Dora, Maya en Ash de bovenwettelijke vakantie-uren die
in de cao vermeld staan, succesvol in rechte claimen?
Om te beoordelen of Dora, Maya en Ash de bovenwettelijke vakantie-uren die in
de cao vermeld staan succesvol kunnen claimen, is allereerst van belang om te
beoordelen of Edith als werkgever gebonden is aan de cao. Doordat de cao niet
AVV is, is de cao enkel van toepassing als zowel werkgever als werknemer
gebonden is in de zin van artikel 9 lid 1 WCAO.
Op grond van artikel 9 lid 1 WCAO is een partij gebonden als hij lid is en
betrokken is. Ten aanzien van Edith geldt dat zij lid is van BK, een partij bij de cao
Kinderopvang. Daarnaast is Edith eigenares van een kinderopvang, waardoor
aannemelijk is dat zij onder de werkingssfeer van de cao Kinderopvang valt.
Hiermee is zij dus ook betrokken. Kortom, Edith is gebonden aan de cao
Kinderopvang in de zin van artikel 9 lid 1 WCAO.
Vervolgens zal ik per werknemer beoordelen of zij rechten kunnen ontlenen aan
de cao.
Ten aanzien van Dora is van belang dat zij lid is van de vakvereniging CNV. CNV
was ook partij bij de cao Kinderopvang en daarmee is Dora lid. Daarnaast werkt
Dora bij de kinderopvang van Edith, waardoor ook aannemelijk is dat zij onder de
,werkingssfeer van de cao Kinderopvang valt en daarmee betrokken is. Dora is
dus ook gebonden aan de cao in de zin van artikel 9 lid 1 WCAO.
Dat er in de individuele arbeidsovereenkomst van Dora staat dat zij slecht recht
heeft op het wettelijk vakantieverlof, terwijl in de cao vermeld staat dat zij recht
hebben op 66 uur bovenwettelijk vakantieverlof.
Op grond van artikel 12 lid 1 WCAO is elk beding dat in strijd is met de cao nietig.
In dit geval maakt niet uit of de cao Kinderopvang een standaard cao is of een
minimum cao. Bij een standaard cao mag namelijk helemaal niet afgeweken
worden van de cao, ook niet in het nadeel van de werknemer en bij een minimum
cao mag alleen in het voordeel van de werknemer worden afgeweken. In dit
geval wordt er ten nadele van Dora afgeweken dat dus sowieso niet mag.
Daarnaast maakt het ook niet uit dat Dora wel een hoger uurloon heeft dan in de
cao staat, aangezien in HR Boonen/Quicken r.o. 3.4. is bepaald dat de nietigheid
per beding moet worden beoordeeld en dat er dus geen pakketvergelijking mag
plaatsvinden. Mocht er dus sprake zijn van een standaardcao, moet de werkgever
afzonderlijk een beroep doen op de bepaling ten aanzien van het loon op grond
van artikel 12 lid 2 WCAO. Ten aanzien van de pakketvergelijking heeft HR
Teunissen/Welter in r.o. 3.4.2 en 3.4.3. verduidelijkt dat als het bijvoorbeeld gaat
om een forfaitaire vergoeding, zoals bij overwerk, er wel periodiek bekeken kan
worden wat het verschil is als bijvoorbeeld bezien over een aantal maanden de
vergoeding voor overwerk gelijk is aan het hogere loon wat volgens de cao zou
moeten worden gegeven, kan dit alsnog rechtvaardig zijn.
Kortom, ten aanzien van Dora geldt dat zij gebonden is aan de cao in de zin van
artikel 9 lid 1 WCAO, hierdoor kan zij op grond van artikel 12 lid 2 WCAO de
bovenwettelijke vakantie uren in rechte claimen, omdat het beding in haar
arbeidsovereenkomst nietig is op grond van artikel 12 lid 1 WCAO.
Ten aanzien van Ash en maya geldt dat zij geen lid zijn van een vakvereniging.
Hierdoor zij zijn niet gebonden aan de cao Kinderopvang in de zin van artikel 9 lid
1 WCAO, en kunnen zij in beginsel geen rechte ontlenen aan de cao. Echter, op
grond van artikel 14 WCAO is Edith verplicht om de arbeidsvoorwaarden uit de
cao waar zij aan gebonden is, ook na te komen in de arbeidsvoorwaarden met
werknemers die niet gebonden zijn. Kortom, Edith zou de bovenwettelijke
vakantie uren ook moeten toekennen aan Ash en Maya, ook al zijn zij niet
gebonden aan de cao. Het probleem is echter dat in HR Stuk/Brittania is bepaald
dat de ongebonden werknemer geen verhaalsmogelijkheden heeft ten aanzien
van artikel 14 WCAO. Maya en Ash zouden er dus wel recht op hebben, maar
kunnen deze niet afdwingen. De vakbond kan dat wel doen op grond van artikel
15 WCAO.
Kortom, Maya en Ash hebben op grond van artikel 14 WCAO wel recht op de
bovenwettelijke vakantie uren, maar kunnen dit recht niet claimen volgens HR
Stuk/Britannia. Zij kunnen dus het beste lid worden van de vakbond, omdat de
gebondenheid in de zin van artikel 9 lid 1 WCAO ook geldt voor de partij die lid
wordt.
,Om te kunnen beoordelen of Dora, Maya en Ash een claim kunnen doen op de
bovenwettelijke vakantie-uren uit de cao, is allereerst van belang om te beoordelen of de
werkgever gebonden zijn in de zin van artikel 9 lid 1 WCAO.
Op grond van artikel 9 lid 1 WCAO is hier sprake van als de partij lid is of wordt, en
betrokken is bij de overeenkomst. Edith is aangesloten bij BK, hiermee is zij lid. Daarnaast is
zij als eigenaressen betrokken bij de overeenkomst. Dit blijkt uit de werkingssfeer? Ja, want
cao is voor kinderopvang dus daar kun je vanuit gaan. De werkgever is dus gebonden.
Vervolgens is van belang om te beoordelen of Dora, Maya en Ash gebonden zijn in de zin van
artikel 9 lid 1 WCAO.
Dora: Ten aanzien van Dora is van belang vast te stellen dat zij lid is en is betrokken.
Hierdoor is zij gebonden in de zin van artikel 9 lid 1 WCAO. Het individuele contract van
Dora vermeld niet de bovenwettelijke uren en is daarmee in strijd met de cao. Dit maakt dit
beding nietig in de zin van artikel 12 lid 1 WCAO. Dat Dora daarbij wel een hoger loon heeft
dan volgens de cao zou moeten doet er niet aan af dat zij het beding van de wettelijke uren
alsnog nietig is. Volgens HR Boonen/Quicken r.o. 3.4 moet dit namelijk per beding worden
beoordeeld en mag dat niet als een geheel worden beschouwd (geen pakketvergelijking|).
Volgt ook uit HR Teunissen/Welter r.o. 3.3. en geldt voor een minimum cao, dan mag je er
van boven vanaf wijken. Bij een standaardcao, zou het hogere salaris wel naar beneden
worden geschaald, want dan moet het in lijn zijn met de cao. Hier is sprake van een minimum
cao, dus er mag naar boven vanaf worden geweken. Dat is hier het geval.
Verschil Boonen/Quicken en Teunissen/Welter is dat Teunnissen/Welter de uitspraak van
Boonen/Quicken aanvult, dat je ook periodiek moet kijken als hij aanvult. Dat is bij een
forfaitaire vergoeding?
In boonen wuicken was de bepaling duidelijk in strijd met de cao, in teunissen was er niet zon
bwpaling maar was bepaald dat het hogere salaris dan opgv cao dat dit een compensatie voor
het overwerk was. Er was wel wat bepaald, maar als je maandelijks kijkt, kan het zijn dat je in
sommgie maanden meer ozu krijgen dan je kreeg, dus dan zou je op de maanden dat je nog
meer overwerkt je nog mee zou moeten krijgen. Dus een forfaitare vergoedein,. Daarom per
beding kijken.
Dora kan dus de 66 uren succesvol vorderen.
Maya en Ash: Ten aanzien van Maya en Ash is van belang dat zij geen lid zijn en dus niet
gebonden zijn op grond van artikel 9 lid 1 WCAO. Artikel 14 WCAO bepaalt dat de
werkgever bij de cao-voorwaarden moet toepassen op alle werknemers waarop die betrekking
hebben. Dus ook op Maya en Ash. Volgens HR Stuk/Britannia hebben Maya en Ash alleen
geen eigen vorderingsmogelijkheden op artikel 14 WCAO.
Maya en Ash kunnen dan de vakbond dat laten vorderen op grond van artikel 15 WCAO. Zal
niet echt lukken. Ratio van artikel 14 WCAO is om gebonden werknemers te beschermen en
niet onderkruipers.
, Als zij lid worden dan vallen zijn zij gebonden en hebben zij wel recht op de bepaling uit cao.
Artikel 9 lid 1 WCAO geeft namelijk ook aan ‘lid worden’.
Wat zou Edith kunnen doen ten opzichte van Ash? Een nieuwe cao aanbieden en Ash gaat
hier niet mee akkoord. Dan moet zij eerst kijken of ze zich kan beroepen op een eenzijdig
wijzigingsbeding. Als die er niet is kijken of het volgens goed werkgeverschap mag.
Uiteindelijk kent Edith alle leidsters 210 vakantie-uren toe en blijft zij hen het hogere
basissalaris doorbetalen. In alle bestaande en nieuwe arbeidsovereenkomsten wordt de cao
Kinderopvang via een incorporatiebeding van toepassing verklaard. Later realiseert Edith zich
dat dit toch wel erg duur uitpakt, en zij zegt haar lidmaatschap van BK op tegen 30 juni 2025.
De BK komt vervolgens met vakvereniging CNV een nieuwe cao overeen met als looptijd 1
juli 2025 tot en met 31 december 2026. In deze cao staat dat leidster recht hebben op
minimaal 70 bovenwettelijke vakantie-uren.
b. Welke rechten kunnen Dora, Maya en Ash per 1 juli 2025 jegens hun werkgever aan
een cao ontlenen?
Tot 30 juni 2025 zijn Dora, Maya en Ash gebonden aan de cao middels een
incorporatiebeding. Op 1 juli 2025 is Edith niet meer gebonden aan de cao in de zin van
artikel 9 lid 1 WCAO, omdat zij dan geen lid meer is.
BK komt vervolgens met CNV een nieuwe coa overeen met als looptijd 1 juli 2025 tot en met
31 december 2026.
Om te beoordelen of de werknemers rechten kunnen ontlenen aan de cao, is van belang dat
een cao-nawerking kan hebben volgens HR Arubaanse vakbond r.o. 3. Dit is het geval
wanneer de cao afloopt en er geen nieuwe cao is overeengekomen, dan kan kunnen de
arbeidsvoorwaarden doorwerken in de individuele arbeidsovereenkomst. Edith heeft haar
lidmaatschap opgezegd voordat de cao afliep. Hierdoor is er geen sprake van nawerking.
Daarom moet het incorporatiebeding worden uitgelegd. Volgens HR Transavia r.o. 3.10
gebeurt de uitleg aan de hand van twee gezichtspunten. Allereerst of het incorporatiebeding is
voorgeschreven aan de hand van een standaardmodel in de individuele arbeidsovereenkomst.
Dit met beantwoord worden aan de hand van de cao-norm, wat inhoudt dat dit wordt
uitgelegd naar objectieve maatstaven, gelezen in het licht van de gehele tekst van de cao en
het niet aankomt op enkel de bedoeling van partijen.
Het tweede gezichtspunt is dat de modellen met het incorporatiebeding