Klas: Vwo 5
Stof: Hoofdstuk 5 en Hoofdstuk 7
, Hoofdstuk 5: Elektrische systemen
5.1 Elektrische stroom en spanning
Apparaten en energie
Voor licht, warmte en beweging is energie nodig. Om te zorgen dat een apparaat elektrische
stroom krijgt neem je het op in een stroomkring.
Elke stroomkring bevat tenminste:
Een spanningsbron.
Een of meerdere draden waardoor stroom kan lopen.
Een apparaat dat de elektrische energie omzet in andere vormen van energie.
Lading en materie
Een atoom bestaat uit een atoomkern met daaromheen een elektronenwolk. Ieder
elektronenwolk heeft een negatieve lading. De atoomkern heeft een positieve lading. De
negatieve lading is even groot als de positieve lading. Daarom is een atoomneutraal.
Het symbool voor de lading is Q. De eenheid is coulomb met symbool C. De lading van één
elektron is de kleinste lading die in de vrije natuur voorkomt, en noem je ook wel de
elementaire lading of elementair ladingsquantam. De lading kan je vinden in BINAS 7.
Elektrische stroom
Een metaal is opgebouwd uit positieve metaalionen waartussen zich vrije elektronen
bevinden.
Onder invloed van de spanningsbron in een stroomkring bewegen meer elektronen van de
ene naar de andere kant van de draad dan andersom. De elektronen gaan daarbij van de
minpool van de batterij door de draad naar de pluspool van de batterij. Er wordt dan een
netto lading verplaatst. Dit verplaatsen van lading noem je elektrische stroom.
De sterkte van de stroom geeft aan hoeveel lading per tijdseenheid een dwarsdoorsnede van
de draad passeert. Het symbool van de stroomsterkte is I. De eenheid is ampère met
symbool A.
Q
I=
t
I = de elektrische stroom in A.
Q = de hoeveelheid lading in C, die de dwarsdoorsnede van de draad passeert.