• Wrong document? Swap it for free
  • Written by students who passed
  • Immediately available after payment
  • Read online or as PDF
Sell
Where do you study
Your language
Document preview thumbnail
Preview 4 out of 105 pages
Summary

Samenvatting Juridische Argumentatieleer! Je hebt enkel dit document nodig om te slagen! (Prof Kristof Van Assche.)

Document preview thumbnail
Preview 4 out of 105 pages

Alle colleges in 1 document, dit was mijn reddende engel toen ik in tijdsnood zat! Aan het eind van ieder college heb je nog eens een korte begrippenlijst met uitleg om jezelf te testen. Daarnaast is dit niet zomaar een samenvatting, maar een tweede cursus. Korter en duidelijker met een betere structuur, zonder elke zin in stukjes te hakken. Elk concept wordt in volzinnen uitgelegd, zodat je alles meteen snapt! Geen droge tekst, maar wel kaders, oplijstingen, voorbeelden en veel tussentitels zodat je snel van het een naar het andere kan gaan. Wil je er in één keer door zijn voor dit vak, koop dan mijn samenvatting. Succes!

Content preview

Juridische argumentatieleer

College 1
1. Situering van de cursus
College 1 opent met het overzicht van de volledige cursus. De cursus vertrekt bij redeneren, gaat daarna naar
argumenteren, vervolgens naar juridisch argumenteren en eindigt met inhoud geven aan juridische argumenten. De
eerste colleges horen bij Deel I: Redeneren.

Begrip Uitleg
Deel I - Redeneren Cognitieve achtergrond, bouwstenen van redeneringen, soorten
redeneringen en structurele redeneerfouten. In dit deel gaat het vooral
over hoe conclusies uit premissen volgen.
Deel II - Argumenteren Begripsomschrijving van argument, opbouw van argumentaties/betogen,
deugdelijk argumenteren, argumentatieschema’s en drogredenen.
Deel III - Juridisch argumenteren Juridische begripsomschrijving, juridische betogen, visies op bronnen van
het recht en juridische argumentatieschema’s.
Deel IV - Inhoud geven aan juridische argumenten Later deel waarin juridische argumenten inhoudelijk worden ingevuld en
toegepast.
Handboek Het vak werkt met het handboek en de PowerPoints. De slides geven
structuur, klemtonen en voorbeelden.



2. Deel I: redeneren
Het eerste deel heet Redeneren. De PowerPoint noemt vier onderdelen: cognitieve achtergrond, bouwstenen van
redeneringen, soorten redeneringen en structurele redeneerfouten. College 1 behandelt vooral de cognitieve
achtergrond: waarom mensen op een bepaalde manier verbanden leggen, hoe intuïtief denken werkt en waarom dat
later relevant is voor redeneerfouten.

3. Cognitieve achtergrond
De cursus begint niet meteen bij formele logica, maar bij de mens als redenerend wezen. Juridisch redeneren gebeurt
door mensen, en mensen verwerken informatie via cognitieve processen. Daarom moet je begrijpen hoe cognitie werkt
voordat je redeneerfouten, argumentaties en juridische argumenten goed kan plaatsen.

Begrip Uitleg
Cognitie Het geheel van mentale processen waarmee je informatie verwerkt.



4. Evolutionaire wortels: MacLean en het drievuldig brein
De slides verwijzen naar Paul MacLean, The Triune Brain in Evolution. De te kennen basis in de niet-rode slides is dat
menselijke cognitieve capaciteiten evolutionaire wortels hebben en dat de PowerPoint het model van het drievuldig
brein gebruikt als kader.

Begrip Uitleg
Paul MacLean Auteur die in de slides wordt gekoppeld aan het model van het drievuldig
brein / triune brain.
Drievuldig brein / triune brain Model waarin drie lagen worden onderscheiden: reptielachtig brein, oude
zoogdierenbrein/limbisch brein en recente zoogdierenbrein/neocortex.
Reptielachtig brein Oudste laag in het model: hersenstam en cerebellum. In de slides
gekoppeld aan spieren, evenwicht, autonome functies en
rigide/obsessief/compulsief gedrag.
Oude zoogdierenbrein / limbisch brein Amygdala, hippocampus en hypothalamus. In de slides gekoppeld aan
emoties, motivatie, stressrespons, geur en leren/geheugen via beloning.

1

, Recente zoogdierenbrein / neocortex Laag die in de slides wordt gekoppeld aan cognitie.



Rode-bolfilter: De rode-bolverdieping met specifieke hersengebieden en kritiek op het model is hier bewust niet
uitgewerkt, omdat die slides niet te kennen zijn.


5. Gevolg van evolutionaire wortels: manipuleerbaarheid en nudging
Omdat menselijk redeneren evolutionair gevormd is, werkt het niet altijd puur rationeel. De slides leiden daaruit af dat
mensen manipuleerbaar zijn. Dat wordt gekoppeld aan nudging: keuzes worden gestuurd door de manier waarop de
keuzecontext wordt ingericht. De PowerPoint voegt eraan toe dat dit ook ten goede kan worden gebruikt.

Begrip Uitleg
Manipuleerbaarheid Het idee dat menselijk gedrag en redeneren beïnvloedbaar zijn door
context, presentatie en keuzeomgeving.
Nudging Een subtiel duwtje in de rug: de keuzecontext wordt zo ingericht dat
mensen waarschijnlijker een bepaalde keuze maken, zonder hun
keuzevrijheid volledig weg te nemen.
Thaler & Sunstein Auteurs van Nudge; in college 1 gekoppeld aan manipuleerbaarheid van
menselijk redeneren.



6. Systeem 1 en Systeem 2 - Kahneman
Een kernstuk van college 1 is het onderscheid tussen Systeem 1 en Systeem 2 uit Kahnemans Thinking, Fast and Slow.
Dit onderscheid verklaart waarom mensen snel verbanden leggen en waarom die verbanden soms fout zijn. Het wordt
later belangrijk bij biases, heuristieken en drogredenen.

Begrip Uitleg
Systeem 1 Snel, intuïtief, automatisch, vaak onbewust, associatief en gebaseerd op
geleerde patronen. Het werkt op basis van snelle indrukken en kan
daardoor leiden tot bias. Het stuurt het grootste deel van ons handelen en
gedrag.
Systeem 2 Traag en analytisch. Het vraagt inspanning en aandacht: ideeën ordenen,
nadenken over wat te doen, rekenen, logisch redeneren en bewuste
keuzes maken. Het kan Systeem 1 soms overrulen.
Bias Gevaar van snelle indrukken: een systematische vertekening of
vooringenomenheid in informatieverwerking.
Systeem 1 ≠ enkel emotie De slides waarschuwen dat Systeem 1 niet simpelweg emotie is. Systeem 1
omvat ook automatische vaardigheden zoals lezen en autorijden.
Systeem 2 ≠ enkel rede Systeem 2 is niet simpelweg “rede”. Het kan ook nodig zijn om rationeel
met frustratie om te gaan, impulscontrole uit te oefenen of emoties te
beheersen.
Inslijting Door ervaring en oefening kunnen handelingen die eerst bewuste
inspanning vroegen later automatisch worden.
Curse of knowledge Keerzijde van inslijting: als kennis vanzelfsprekend is geworden, wordt ze
vaak moeilijker uit te leggen aan iemand die die kennis nog niet heeft.



7. Het brein als verbandenleggende machine
Na Systeem 1 en Systeem 2 verschuift college 1 naar het idee dat het brein spontaan verbanden legt tussen concepten,
gebeurtenissen, stellingen en andere informatie. Dat maakt ons denken efficiënt, maar ook foutgevoelig.

Begrip Uitleg
Spontaan verbanden leggen Systeem 1 verbindt allerlei informatie zonder dat we daar telkens bewust
over nadenken.
Voordeel: coherent kader Losse prikkels en feiten worden samengebracht tot een samenhangend en
betekenisvol verhaal.
Voordeel: efficiëntie Systeem 1 werkt snel en met weinig mentale inspanning. Dat is handig
voor routinebeslissingen.

2

, Voordeel: gevaar detecteren Systeem 1 detecteert snel mogelijke dreiging en stuurt onmiddellijke
reactie aan. Bij onzeker gevaar kan het veiliger zijn om te snel een dreiging
aan te nemen.
Voordeel: automatisering Door oefening worden vaardigheden automatisch uitgevoerd.
Nadeel: onjuiste verbanden Systeem 1 legt regelmatig verbanden die niet correct zijn.
Drang naar coherentie De neiging om losse feiten in één verhaal te passen, ook als dat verband
niet bewezen is.
Conceptverruiming door verminderde blootstelling Hoe minder ervaring je hebt met een bepaald concept, hoe ruimer je dat
concept gaat definiëren. De slides koppelen dit aan David E. Levari et al.
Systeem 2 als controle Systeem 2 kan de spontane verbanden van Systeem 1 actief controleren.



Rode-bolfilter: Concrete rode-bolvoorbeelden over complottheorieën en de bredere rode-bolverdieping zijn niet
opgenomen. De te kennen basis is wel: Systeem 1 legt spontaan verbanden en Systeem 2 controleert die verbanden.


8. Vier centrale verbanden van Systeem 1
College 1 onderscheidt vier centrale soorten verbanden die Systeem 1 legt. Deze vormen de overgang naar de
bouwstenen en redeneervormen van college 2.

Begrip Uitleg
Voorwaardelijke verbanden Een bepaalde propositie vormt een voorwaarde voor een andere
propositie: als p, dan q.
Via-verbanden / metonymieën Een entiteit wordt gebruikt om toegang te krijgen tot een andere entiteit
die ermee verbonden is.
Causale verbanden Gebeurtenissen worden in oorzaak-gevolgrelaties geplaatst.
Als-het-ware-verbanden / metaforen Abstracte concepten worden voorgesteld alsof ze concrete zaken zijn.



9. Voorwaardelijke verbanden
Een voorwaardelijk verband ontstaat wanneer een zin of uitspraak, een propositie, als voorwaarde geldt voor een
andere propositie. De basisvorm is: “als ..., dan ...”. Bijvoorbeeld: “Als het 16u is, dan begint de les.” Als de eerste
propositie waar is, dan is volgens die uitspraak ook de tweede propositie waar.

Begrip Uitleg
Propositie Een uitspraak of deel van een uitspraak die waar of onwaar kan zijn.
Als-danverband Een conditioneel verband: als propositie 1 waar is, dan is propositie 2 ook
waar.
Voorwaarde Het element waarvan het gevolg afhankelijk wordt gemaakt.



10. Via-verbanden: metonymie
Bij metonymie gebruik je een ding of entiteit om mentale toegang te krijgen tot een andere entiteit die er in onze
ervaring nauw mee verbonden is. Het gaat om entiteiten binnen hetzelfde conceptuele domein. Je vervangt dus iets
door iets dat er echt bij hoort.

Begrip Uitleg
Metonymie Een via-verband waarbij een vehikelentiteit toegang geeft tot een
doelentiteit die ermee verbonden is binnen hetzelfde conceptuele domein.
Vehikelentiteit De entiteit die letterlijk wordt genoemd.
Doelentiteit De entiteit die je eigenlijk bedoelt of waartoe je mentale toegang krijgt.
Zelfde conceptuele domein Metonymie blijft binnen dezelfde werkelijkheid of context. Daarom is er
aangrenzendheid.
Deel/geheel-metonymie Je legt een verband tussen deel en geheel. Voorbeeld: “monden voeden”
betekent personen voeden; “mijn fiets is stuk” kan eigenlijk betekenen dat
de fietsbel stuk is.
Gevolg/oorzaak-metonymie Je gebruikt een gevolg om de oorzaak op te roepen, of omgekeerd. “De
straat is nat” kan betekenen: het heeft geregend.
Producent/product De producent wordt gebruikt voor het product. “Ik lees Kafka” betekent: ik
3

, lees een boek van Kafka.
Instituut/plaats Een plaats of instelling wordt gebruikt voor een actor. “Brussel heeft
beslist” kan verwijzen naar de Europese Unie.



Metonymie is op zichzelf niet problematisch. Het is een normale mentale shortcut. Maar het kan gevaarlijk worden
wanneer men uit een deel te snel conclusies trekt over het geheel, of wanneer men een gevolg te snel als bewijs van
een bepaalde oorzaak ziet.

De slides geven voorbeelden: “Hij had al twee flessen op” verwijst naar de inhoud van die flessen; “Het Witte Huis heeft
laten weten” verwijst naar de Amerikaanse regering; “De universiteit heeft het examenreglement aangepast” verwijst
naar een bevoegd orgaan binnen de universiteit; “De pers dook op het schandaal” verwijst naar journalisten; “Die
Picasso” verwijst naar een werk van Picasso.

11. Ongericht en associatief: apofenie
Omdat Systeem 1 ongericht en associatief werkt, kunnen verbanden erg sterk aanvoelen. De slides benoemen de
neiging om verbanden te leggen tussen dingen die niet werkelijk gerelateerd zijn als apofenie.

Begrip Uitleg
Apofenie De neiging om betekenisvolle verbanden of patronen te zien tussen dingen
die niet werkelijk gerelateerd zijn.



12. Causale verbanden
Een derde centrale soort verband is het causale verband. Mensen hebben de neiging om samenhangende
gebeurtenissen in een oorzaak-gevolgrelatie te plaatsen. Dat is begrijpelijk, maar gevaarlijk: samenhang is niet
automatisch oorzaak.

Begrip Uitleg
Causaal verband Een oorzaak-gevolgrelatie waarbij een gebeurtenis een andere gebeurtenis
teweegbrengt.
Correlatie Samenhang tussen variabelen: als de ene variabele verandert, verandert
de andere ook.
Positieve correlatie Als de ene variabele stijgt, stijgt de andere ook.
Negatieve correlatie Als de ene variabele stijgt, daalt de andere.
Correlatie ≠ causaliteit Samenhang bewijst niet dat de ene variabele de andere veroorzaakt.
Stepping stone-redenering Redenering waarbij men stelt dat een eerste stap noodzakelijk leidt naar
een verdere stap, bv. cannabisgebruik leidt tot heroïnegebruik. De slides
nuanceren dat een eventueel gateway-effect klein en contextafhankelijk
kan zijn.
Timing ≠ oorzaak Dat iets gebeurt na het begin van een legislatuur of na een gebeurtenis,
bewijst niet dat die gebeurtenis de oorzaak is.



12.1 Zes typische vergissingen bij causale verbanden
1. Zwakke correlatie tussen feit 1 en feit 2: de samenhang is te zwak om een oorzakelijk verband aannemelijk te
maken.
2. Onbepaalde richting van het causaal verband: het is niet duidelijk of feit 1 feit 2 veroorzaakt of omgekeerd.
Voorbeeld in de slides: paraplu en regen.
3. Alternatieve verklaringen: een derde factor kan beide feiten verklaren. Voorbeeld: hogere ijsjesverkoop en meer
verdrinkingen kunnen allebei door warm weer worden verklaard.
4. Overhaaste extrapolatie: een algemene conclusie wordt te snel getrokken uit beperkte of contextgebonden
gegevens. Voorbeeld: “neerslag is goed voor de oogst”.


4

Table of contents

  1. 01 College 1 1
    1. 1. Situering van de cursus 1
    2. 2. Deel I: redeneren 1
    3. 3. Cognitieve achtergrond 1
    4. 4. Evolutionaire wortels: MacLean en het drievuldig brein 1
    5. 5. Gevolg van evolutionaire wortels: manipuleerbaarheid en nudging 2
    6. 6. Systeem 1 en Systeem 2 - Kahneman 2
    7. 7. Het brein als verbandenleggende machine 2
    8. 8. Vier centrale verbanden van Systeem 1 3
    9. 9. Voorwaardelijke verbanden 3
    10. 10. Via-verbanden: metonymie 3
    11. 11. Ongericht en associatief: apofenie 4
    12. 12. Causale verbanden 4
    13. 13. Als-het-ware-verbanden: metaforen 5
    14. 14. Oefeningen in college 1 6
    15. 1. Herhaling: cognitieve achtergrond en verbanden 7
    16. 2. Herhaling: metonymie en metafoor 7
    17. 3. Bouwstenen van redeneringen 7
    18. 4. Voorwaardelijke uitspraken 8
    19. 5. Verschil tussen redenering en voorwaardelijke uitspraak 8
    20. 6. Proposities 8
    21. 7. Redeneringen en voorwaardelijke uitspraken in het recht 9
    22. 8. Soorten voorwaarden 9
    23. 9. Geldig redeneren staat los van feitelijke waarheid 10
    24. 10. Soorten redeneringen 10
    25. 11. Deductief redeneren: basisbegrippen 11
    26. 12. Validiteitstest: premissen + negatie van conclusie 11
    27. 13. Consistentie, inconsistentie en coherentie 11
    28. 14. Geldig en correct deductief redeneren 12
    29. 15. Logica 12
    30. 16. Propositielogica 12
    31. Compacte examenbegrippenlijst college 1 en 2 13
  2. 02 College 3 – Soorten redeneringen 14
    1. 1. Situering: drie soorten redeneringen 14
    2. 2. Deductief redeneren: basisbegrippen 14
    3. 3. Geldig en correct deductief redeneren 15
    4. 4. Contradictorische, contraire en subcontraire uitspraken 15
    5. 5. Inferentie en fundamenteel geldige redeneervormen 16
    6. 6. Twee diepgewortelde deductieve redeneerfouten 16
    7. 7. Beperkingen van geldig redeneren 17
    8. 8. Enthymemen en het welwillendheidsprincipe 17
    9. 9. Inductief redeneren 18
    10. 10. Abductief redeneren 19
    11. 11. Verhouding tussen deductief, inductief en abductief 19
  3. 03 College 4 – Structurele redeneerfouten 21
    1. 12. Kernbegrippen: bias en heuristiek 21
    2. 13. Overzicht structurele redeneerfouten 21
    3. 14. Verankering / anchoring 21
    4. 15. Framing effect 22
    5. 16. Bevestigingsbias / confirmation bias 22
    6. 17. Verliesaversie, toeëigeningseffect en sunk cost fallacy 23
    7. 18. Post hoc, ergo propter hoc 23
    8. 19. Hindsight bias 24
    9. 20. Beschikbaarheidsheuristiek / availability heuristic 24
    10. 21. Affectheuristiek 25
    11. 22. Representativiteitsheuristiek 25
    12. 23. Waarom maken we structurele redeneerfouten? 26
  4. 04 24. Snelle begrippenlijst College 3 en 4 27
  5. 05 1. Inleiding: van geldig redeneren naar deugdelijk argumenteren 28
    1. 1.1 Redeneren: logische structuur en geldigheid 28
    2. 1.2 Argumenteren: overtuigen en deugdelijkheid 29
    3. 1.3 Voorbeeld: geldig contract en toestemming 29
    4. 1.4 Communicatieve dimensie 29
  6. 06 2. Begripsomschrijving van argumenteren 29
    1. 2.1 Definitie van Zarefsky 29
    2. 2.2 Argumenteren als praktijk 29
    3. 2.3 Argumenteren en beslissingen 30
    4. 2.4 Rechtvaardigen: pro, contra, aanvallend en verdedigend 30
    5. 2.5 Onzekerheid: waarom argumenteren meer is dan logica 30
    6. 2.6 Normativiteit van argumenteren 31
    7. 2.7 Rol van voorwaardelijke uitspraken in argumentaties 31
    8. 2.8 Context: denkkader, discursieve context en situationele context 31
  7. 07 3. Opbouw van argumentaties: het betoog 32
    1. 3.1 Retorica: overtuigingskunst en welsprekendheid 32
    2. 3.2 Vijf componenten van retorica 32
    3. 3.3 Inventio: inhoudelijke vindingrijkheid 32
    4. 3.4 Dispositio: opbouw van het betoog 33
    5. 3.5 Elocutio, memoria en pronuntiatio 34
  8. 08 4. Deugdelijk argumenteren 35
    1. 4.1 Betekenis van deugdelijkheid 35
    2. 4.2 Historische verschuiving na WOII 35
    3. 4.3 Typologische benadering 35
    4. 4.4 Praktische of substantiële benadering: Stephen Toulmin 37
    5. 4.5 Normatieve benadering en pragma-dialectiek 37
  9. 09 5. Begrippenlijst bij college 5 38
  10. 10 1. Situering 39
  11. 11 2. Deugdelijk argumenteren 39
    1. 2.1. Wat is deugdelijk argumenteren? 39
    2. 2.2. Drie voorwaarden voor deugdelijk argumenteren 40
    3. 2.3. De tien regels voor een productief verloop van discussie 40
    4. 2.4. Vrijheidsregel 40
    5. 2.5. Bewijslastregel 41
    6. 2.6. Standpuntregel 41
    7. 2.7. Relevantieregel 41
    8. 2.8. Verzwegen-premisseregel 41
    9. 2.9. Uitgangspuntregel 42
    10. 2.10. Geldigheidsregel 42
    11. 2.11. Argumentatieschemaregel 42
    12. 2.12. Afsluitingsregel 42
    13. 2.13. Helderheidsregel 42
  12. 12 3. Argumentatieschema’s: algemene situering 43
    1. 3.1. Definitie en nut van een argumentatieschema (slide 25) 43
    2. 3.2. Feiten, premissen, redenering en argumenteren (slides 26–30) 43
    3. 3.3. Overzicht van de argumentatieschema’s 44
  13. 13 4. Argument op basis van bijzondere geplaatstheid 44
  14. 14 5. Argument op basis van inhoudelijke deskundigheid 45
  15. 15 6. Argument op basis van de persoon 45
    1. 6.1. Algemeen: de persoon in plaats van de stelling 45
    2. 6.2. Beledigende variant 45
    3. 6.3. Omstandigheidsvariant 45
    4. 6.5. Onbekwaamheidsvariant 46
  16. 16 7. Argument op basis van gedeelde overtuiging (slides 51–52) 47
  17. 17 8. Argument op basis van gevolgen 47
    1. 8.1. Algemene vorm 47
    2. 8.2. Hellend vlak / slippery slope 48
    3. 8.3. Argumentum ad baculum 48
    4. 8.4. Argumentum ad absurdum 48
  18. 18 9. Argument op basis van regelmaat 49
  19. 19 10. Argument op basis van gelijkenis / analogie 49
    1. 10.1. Algemene vorm 49
    2. 10.2. Relevantie van het vergelijkingspunt 49
    3. 10.3. Kritische vragen bij analogie 50
  20. 20 11. Argument op basis van verschil / a contrario 50
  21. 21 12. Argument a fortiori 51
  22. 22 13. Argument op basis van regels 51
    1. 13.1. Algemene vorm en soorten regels 51
    2. 13.2. Problemen met definities: equivocatie 51
    3. 13.3. Betwiste definities 52
    4. 13.4. Meerwaarde en risico’s van definities 52
  23. 23 14. Argument op basis van testresultaten 52
  24. 24 15. Argument op basis van gebrek aan informatie / argumentum ad ignorantiam 52
  25. 25 16. Alle schema’s naast elkaar 53
  26. 26 17. Latijnse en Engelse termen uit college 6 54
  27. 27 Kernoverzicht van college 7 55
  28. 28 1. Situering binnen de cursus 55
    1. Herhaling argumentatieschema’s 55
    2. Titel: drogredenen 56
  29. 29 2. Hoe weerleg ik argumenten? 56
    1. Twee basismanieren om argumenten te weerleggen 56
    2. Herhaling van het basisonderscheid 56
    3. Probleem met premissen 56
    4. Drogreden als inhoudelijk argumentatieprobleem 56
    5. Verhouding met redeneerfouten 56
    6. Redeneerfout versus drogreden 56
    7. Voorbeelden van bias naar drogreden 56
    8. Verhouding met argumentatieschema’s 57
    9. Drogredenen gekoppeld aan schema’s 57
    10. Herhaling van koppeling schema - drogreden 57
    11. Drogredenen omvatten meer dan schemafouten 57
  30. 30 3. Drie functies van drogredenen 57
    1. Indeling volgens functie in de discussie 57
    2. Bevestigende drogredenen: drie subgroepen 57
  31. 31 4. Bestigende drogredenen met betrekking tot het inferentieschema 58
    1. Inferentieschema en soorten redeneringen 58
    2. Deductieve drogredenen en non sequitur 58
    3. Ad ignorantiam en is/ought-drogreden 58
    4. Compositie 58
    5. Divisie 58
    6. Foutieve disjunctie 58
    7. Vals dilemma 59
    8. Vals compromis 59
    9. Inductieve en abductieve drogredenen 59
    10. Valse analogie en vals verschil 59
    11. Causale drogredenen: post hoc, cum hoc en hellend vlak 59
    12. Overhaaste veralgemening 59
    13. Jumping to conclusions 60
    14. Overzicht deductief, inductief, abductief en metalogische restcategorie 60
    15. Dicto simpliciter 60
    16. Cirkelredenering: Petitio principii 60
    17. Varianten van cirkelredenering 60
    18. Impertinente argumenten 60
    19. Triviale argumenten 60
  32. 32 5. Bevestigende drogredenen met betrekking tot de informatiebron 61
    1. Bron wordt onterecht als bewijs gebruikt 61
    2. Andere bron-drogredenen 61
    3. Ad misericordiam en ad lapidem 61
  33. 33 6. Bevestigende drogredenen met betrekking tot betekenis 61
    1. Spelen met betekenis van woorden 61
  34. 34 7. Weerleggende drogredenen 61
    1. Ondeugdelijke weerlegging van een ander standpunt 61
    2. Vergiftigen van de bron: poisoning the well 62
    3. Overhaast tegenvoorbeeld 62
  35. 35 8. Ontwijkende drogredenen 62
    1. Verschuiving onderwerp: shifting ground 62
    2. Rode haring: ignoratio elenchi 62
    3. Meervoudige vraag 63
    4. Complexe vraag 63
    5. Beroep op relativisme 63
  36. 36 9. Volledige termenlijst uit college 7 63
  37. 37 Vergelijkingen 64
  38. 38 1. Kernoverzicht van college 8 65
  39. 39 2. Situering binnen de cursus 66
    1. 2.3. Overzicht van Deel III 66
    2. 2.4. Herhaling overzicht 66
    3. 2.6. Deel I, II en III naast elkaar 66
  40. 40 3. Begripsomschrijving: wat maakt argumenteren juridisch? 66
    1. 3.1. Bestaat er zoiets als juridisch argumenteren? 66
    2. 3.2. Bijzondere discursieve context: eigen terminologie 66
    3. 3.3. Argument = middel in juridische taal 66
    4. 3.4. Voorbeeld middel bij contractuele niet-nakoming 66
    5. 3.5. Vordering 67
    6. 3.6. Juridische conclusie, vordering en middelen 67
    7. 3.7. Middel, rechtsmiddel en bewijsmiddel 67
    8. 3.8. Verweermiddelen 67
  41. 41 5. Juristen blijven vatbaar voor redeneerfouten 67
    1. 5.1. Niet anders: vatbaarheid voor redeneerfouten en drogredenen 67
    2. 5.2. Schünemann & Bandilla: perseverance effect in rechterlijke beslissingen 68
    3. 5.3. Danziger, Levav & Avnaim-Pesso: externe factoren in rechterlijke beslissingen 68
  42. 42 6. Juridische betogen in het Belgische recht: situering 68
    1. 6.1. Terug naar overzicht Deel III 68
    2. 6.2. Juridische betogen 68
    3. 6.3. Doel en afbakening 68
    4. 6.4. Geschil versus geding 68
    5. 6.5. Burgerrechtelijke en strafrechtelijke procedure 68
    6. 6.6. Twee proceduretypes 69
    7. 6.7. Verschil in belangen 69
    8. 6.8. Structuur van de procedure 69
    9. 6.9. Noodzaak van bijzondere waarborgen 69
    10. 6.10. Bewijslast 69
    11. 6.11. Accusatoir karakter burgerlijke procedure 69
    12. 6.12. Inquisitoir karakter strafrechtelijke procedure 69
    13. 6.13. Nuancering 69
    14. 6.14. Opbouw van de les 69
  43. 43 7. Het betoog van de partijen 70
    1. 7.1. Eiser, verweerder, appellant en eiser in cassatie 70
    2. 7.2. Geïntimeerde, verweerder in cassatie, hoofdeis en tegeneis 70
    3. 7.3. Stellingen en argumentatiestructuur 70
    4. 7.4. Verloop burgerlijke procedure: start en debat 70
    5. 7.5. Verloop burgerlijke procedure: hoger beroep en cassatie 70
  44. 44 8. Het betoog van de rechter 71
    1. 8.1. Rechterlijke uitspraak en motiveringsverplichting 71
    2. 8.2. Opbouw van rechterlijk betoog 71
  45. 45 9. Van formeel geldige redenering naar juridisch betoog 72
    1. 9.1. Stelling, rechtsregel, feit en conclusie 72
    2. 9.2. Formeel geldig, maar ook correct? 72
    3. 9.3. Feit, rechtsregel en rechtsgevolg 72
    4. 9.4. Herhaling van dezelfde structuur 72
    5. 9.5. Rechtsfeit 72
    6. 9.6. Rechtsfeit, rechtsregel en rechtsgevolg 72
  46. 46 10. Bewijs van de feiten: basisbegrippen 72
    1. 10.1. Bewijsvoering 72
    2. 10.2. Bewijsregeling 72
    3. 10.3. Bewijsmiddel: twee betekenissen 73
    4. 10.4. Bewijswaarde 73
    5. 10.5. Wettelijke bewijswaarde in burgerlijk recht 73
    6. 10.6. Herhaling wettelijke bewijswaarde 73
    7. 10.7. Geen wettelijke bewijswaarde: getuigenverklaringen en feitelijke vermoedens 73
    8. 10.8. Rangorde bewijswaarde 73
    9. 10.9. Voorkeur voor geschreven bewijs 73
  47. 47 11. Laptopvoorbeeld: bewijs van overeenkomst en tekortkoming 74
    1. 11.1. Bewijs van overeenkomst en inhoud: ondertekend contract 74
    2. 11.2. Onderhandse akte 74
    3. 11.3. Begin van bewijs door geschrift zonder ondertekend contract 74
    4. 11.4. Hoge en lage wettelijke bewijswaarde naast elkaar 74
    5. 11.5. Gevolgtrekking rechter: feitelijk vermoeden 74
    6. 11.6. Andere bewijsmiddelen bij gebrek aan geschreven spoor 74
    7. 11.7. Geen wettelijke bewijswaarde 75
    8. 11.8. Gevolgtrekking rechter uit vrije bewijsmiddelen 75
    9. 11.9. Bewijs van feitelijke tekortkoming 75
    10. 11.10. Geen wettelijke bewijswaarde bij bewijs tekortkoming 75
    11. 11.11. Feitelijk vermoeden: laptop was niet nieuw 75
  48. 48 12. Tegenbewijs, aanvoeringslast, bewijslast en bewijsrisico 75
    1. 12.1. Tegenbewijs versus bewijs van tegendeel 75
    2. 12.2. Aanvoeringslast 75
    3. 12.3. Bewijslast 76
    4. 12.4. Bewijslast verdeeld in burgerlijke zaken 76
    5. 12.5. Bewijsrisico 76
    6. 12.6. Belang van bewijslast en bewijsrisico in laptopvoorbeeld 76
    7. 12.7. Bewijsrisico kan verschuiven door proceshouding 76
  49. 49 13. Feitenfiltering: bewijs draait om meer dan waarheid 77
    1. 13.1. Feitenfiltering en regulariteit 77
    2. 13.2. Praktische organisatie van bewijsvoering 77
    3. 13.3. Procedurele rechtvaardigheid en tegenspraak 77
    4. 13.4. Voorkeur voor schriftelijk bewijsmateriaal 77
    5. 13.5. Productiebetrokkenheid partijen, medeweten en autonomie 77
    6. 13.6. Beroepsgeheim en vlot procesverloop 77
  50. 50 14. Eindstructuur: juridisch relevante feiten 78
    1. 14.1. Voorbeeldredenering 78
    2. 14.2. Drie vragen voor gebruik in juridisch betoog 78
    3. 14.3. Juridische relevantie als interpretatie en argumentatie 78
  51. 51 15. Begrippenlijst college 8 79
  52. 52 16. Kort overzicht per onderdeel 80
    1. Begripsomschrijving 80
    2. Juristen en redeneerfouten 80
    3. Juridische betogen in België 80
    4. Betoog van partijen 81
    5. Betoog van de rechter 81
    6. Bewijs en juridische relevantie 81
    7. Bewijsbegrippen 81
    8. Bewijslast en bewijsrisico 81
    9. Feitenfiltering 81
  53. 53 1. Situering: waarom deze twee visies belangrijk zijn 81
  54. 54 2. Proloog: het Franse recht en het Ancien Régime (slides 9, 11-16) 82
    1. 2.1 Veelheid aan bronnen 82
    2. 2.2 Politieke eenheid tegenover juridische versnippering 82
    3. 2.3 Macht van de koninklijke rechtbanken: parlements 82
    4. 2.4 Kritiek op de rechtsbedeling 83
  55. 55 3. Bronnen van het recht als piramide: de wet als voornaamste rechtsbron 83
    1. 3.1 Nieuwe visie op recht na de Franse Revolutie 83
    2. 3.2 Codificatie 83
    3. 3.3 Kenmerken van het vertrouwen in de wet 83
    4. 3.4 Scheiding der machten en wantrouwen tegenover rechters 84
    5. 3.5 De taak van de rechter in het piramidemodel 84
    6. 3.6 Mechanisch/logisch model: deductie en subsumptie 84
    7. 3.7 Toepassingsvoorwaarden: voldoende én noodzakelijke voorwaarden 84
    8. 3.8 A contrario en argument op basis van verschil 85
    9. 3.9 Argument op basis van regels 85
    10. 3.10 Interpretatiemethoden in het piramidemodel 85
    11. 3.11 Metafoor van de piramide 86
  56. 56 4. Bronnen van het recht als netwerk: meergelaagde rechtsorde en rechtspluralisme (slides 53-86) 86
    1. 4.1 Barsten in het piramidemodel 86
    2. 4.2 Référé législatif in de praktijk: koude douche 86
    3. 4.3 Kloof tussen wet en recht 86
    4. 4.4 Extra inperking van wetgevende autonomie na WOII 86
    5. 4.5 Taak van de rechter in het netwerkmodel 87
    6. 4.6 Van mechanisch/logisch naar topisch/creatief model 87
    7. 4.7 Algemene rechtsbeginselen en beweeglijk systeem 87
    8. 4.8 Voorbeeld van topisch argumenteren: ballonvaarder en geit 88
    9. 4.9 Focus van de rechter: bewoordingen of belangen 88
    10. 4.10 Interpretatiemethoden in piramide en netwerk 88
    11. 4.11 Waarde van het systeem en systematische argumenten 88
    12. 4.12 Dominante argumentatievorm: a contrario versus analogie 89
    13. 4.13 Argument op basis van gelijkenis / analogie 89
    14. 4.14 Rol van regels en definities 89
    15. 4.15 Wijzigingen en evoluties van het recht 89
    16. 4.16 Metafoor van het netwerk 90
  57. 57 5. Slot: piramide en netwerk als denkkaders (slides 87-89) 90
  58. 58 6. Belangrijkste begrippen, Latijnse/Franse termen en auteurs uit college 9 90
  59. 59 1. Plaats van college 10 in de cursus 91
  60. 60 2. Situering: wat zijn juridische argumentatieschema’s? 91
    1. 2.1 Voortbouwend op algemene argumentatieschema’s 91
    2. 2.2 Discussie over feiten versus discussie over recht 92
    3. 2.3 Heuristische voorkeur in het recht 92
    4. 2.4 Van interpreteren naar argumenteren 92
    5. 2.5 Algemene versus juridische argumentatieschema’s 92
  61. 61 3. Juridische argumenten op basis van gezag 93
    1. 3.1 Traditie of gewoonte 93
    2. 3.2 Historische evolutie 93
    3. 3.3 Natuur of aard der dingen 93
    4. 3.4 Deskundigheid 93
    5. 3.5 Waarom overtuigt gezag? 94
  62. 62 4. Juridische argumenten op basis van regels 94
    1. 4.1 Drie soorten regels 94
    2. 4.2 Betekenisregels: gebruikelijke betekenis 94
    3. 4.3 Technische betekenis 94
    4. 4.4 Nut en beperkingen van betekenisregels 95
    5. 4.5 Rechtsregels: gedrags- en waarderingsfunctie 95
    6. 4.6 Rechtsregels als voorwaardelijke uitspraken 95
    7. 4.7 Uitzonderingen restrictief interpreteren 95
    8. 4.8 Waarom overtuigen regels? 95
  63. 63 5. Juridische argumenten op basis van systematische overwegingen 96
    1. 5.1 Contextafhankelijkheid en definitie 96
    2. 5.2 Harmonisatie, consistentie en coherentie 96
    3. 5.3 Contextuele harmonisatie 96
    4. 5.4 Conceptuele consistentie 96
    5. 5.5 Systematische consistentie: gelijke zaken gelijk behandelen 97
    6. 5.6 Argumenten naar analogie 97
    7. 5.7 Beslisboom analogie 97
    8. 5.8 Argumenten a contrario 97
    9. 5.9 Beslisboom a contrario 98
    10. 5.10 Coherentie van het systeem 98
    11. 5.11 Zuinigheid van het systeem 98
    12. 5.12 Waarom overtuigen systematische argumenten? 99
  64. 64 6. Juridische argumenten op basis van doelstellingen 99
    1. 6.1 Verschil met gevolgenargument 99
    2. 6.2 Veronderstelling van teleologische argumentatie 99
    3. 6.3 Voorbeeld: geen hond in openbaar zwembad 99
    4. 6.4 Hoe achterhaal je het normdoel? 99
    5. 6.5 Teleologische reductie 100
    6. 6.6 Waarom overtuigen doelstellingenargumenten? 100
  65. 65 7. Juridische argumenten op basis van waarden 100
    1. 7.1 Gebruik en risico 100
    2. 7.2 Voorbeeld telecomcontract 100
  66. 66 8. Juridische argumenten op basis van gevolgen 101
    1. 8.1 Dambreukargument 101
    2. 8.2 Absurditeitsbestrijdend argument 101
    3. 8.3 Gevolgen, doelstellingen en waarden vergelijken 101
  67. 67 9. Juridische argumenten op basis van intentie 101
    1. 9.1 Probleem: intentie is moeilijk vast te stellen 102
    2. 9.2 Waarom kan intentie toch overtuigen? 102
  68. 68 10. Juridische argumenten op basis van testresultaten 102
    1. 10.1 Voorbeeld proportionaliteit 102
    2. 10.2 Beperking: risico op is/ought-drogreden 102
    3. 10.3 Testresultaten als ondersteunend element 102
  69. 69 11. Onderlinge verhouding tussen juridische argumentatieschema’s 103
    1. 11.1 Stappenplan voor interpretatie 103
    2. 11.2 Geen enkel schema is zaligmakend 103
  70. 70 13. Begrippenlijst college 10 103
  71. 71 14. Latijnse, Franse en Engelse termen 105

Connected book
 image
Frederik Peeraer Juridisch argumenteren
Publisher: Unknown ISBN: 9789463715447 Edition: 2

Document information

Study
Summarized whole book?
Yes
Uploaded on
August 16, 2026
Number of pages
105
Written in
2026/2027
Type
Summary
$8.07

Wrong document? Swap it for free Within 14 days of purchase and before downloading, you can choose a different document. You can simply spend the amount again.
Written by students who passed
Immediately available after payment
Read online or as PDF

Sold
1
Followers
0
Items
2
Last sold
4 weeks ago



Why students choose Stuvia

Created by fellow students, verified by reviews

Quality you can trust: written by students who passed their tests and reviewed by others who've used these notes.

Didn't get what you expected? Choose another document

No worries! You can instantly pick a different document that better fits what you're looking for.

Pay as you like, start learning right away

No subscription, no commitments. Pay the way you're used to via credit card and download your PDF document instantly.

Student with book image

“Bought, downloaded, and aced it. It really can be that simple.”

Alisha Student

Working on your references?

Create accurate citations in APA, MLA and Harvard with our free citation generator.

Working on your references?

Frequently asked questions