routekaart | namen in de volgorde van de samenvatting
Hoe dit schema is opgebouwd
De hoofdtheoretici krijgen een volledige profielpagina. Kleinere inhoudelijke bijdragen krijgen een halve pagina of
een gegroepeerd onderzoeksblok. Namen die alleen als handboekbron, casus of filmvoorbeeld voorkomen, staan
wel in de routekaart maar hebben geen kunstmatig theorieprofiel.
HOC 1-3 | basis en Freud HOC 4-6 | ontwikkeling, object en
• HOC 1: Jonathan Shedler; Falk Leichsenring; Allan zelf
Abbass. • HOC 4: Anna Freud; Margaret Mahler.
• HOC 2: Sabina Spielrein; Carl G. Jung. Freud komt • HOC 5: Melanie Klein; Hanna Segal; Wilfred Bion;
hier als leermeester terug. Donald Winnicott; Michael Balint.
• HOC 3: Hippocrates en Josef Breuer als voorlopers; • HOC 6: Heinz Kohut; Otto Kernberg.
Sigmund Freud als hoofdfiguur.
• De rode draad: van drift en Ego naar relatie,
• Casussen: Dora en Anna O. illustreren hysterie, innerlijk object en zelfstructuur.
catharsis en de talking cure.
HOC 7-8 | spel, hechting en HOC 9-12 | proces, techniek en
interactie integratie
• HOC 7: geen nieuwe hoofdnaam; toepassingen van • HOC 9: Paula Heimann; Greenson (in de SV
Winnicott, Stern en Fonagy op spel. gespeld als 'Greebsib'); Carl Rogers; De Wolf als
• HOC 8: John Bowlby; Mary Ainsworth; Daniel Stern; handboekbron.
Peter Fonagy en Mary Target; Sidney Blatt. • HOC 10: David Malan. HOC 11: Stone als korte
• Onderzoekslijn hechting: Main, Kaplan, Cassidy, duiding van Freud versus Kohut.
Hesse, Van IJzendoorn, Bartholomew, Horowitz, • HOC 12: geen nieuwe theoreticus; integratie van
Mikulincer en Shaver. eerdere theorieen in therapiedoelen.
• HOC 12: Derksen als handboekbron; geen nieuwe
afzonderlijke theorielijn.
Vier grote denklijnen - snelle kapstok
• Drift/conflict: Freud - wat wil ik, wat mag niet, hoe weert het Ego dit af?
• Ego/ontwikkeling: Anna Freud en Mahler - hoe ontstaan autonomie, afweer en stabiele representaties?
• Objectrelatie/zelf: Klein, Bion, Winnicott, Balint, Kohut, Kernberg - wat wordt innerlijk opgebouwd of gemist?
• Hechting/intersubjectiviteit: Bowlby, Stern, Fonagy en Blatt - hoe reguleren relaties stress, betekenis en
balans?
1/27
, Psychodynamische therapie
HOC 1 | personen, kernbegrippen en verbanden
Jonathan Shedler - moderne uitleg van PDT
Shedler maakt klassieke psychoanalytische begrippen klinisch bruikbaar: klachten zijn vaak vroegere
oplossingen, het heden draagt het verleden mee en verandering ontstaat door samen patronen te onderzoeken.
Onbewust mentaal leven Conflict, ambivalentie en veelvoud
• Veel waarnemen, voelen, oordelen en • Conflict = botsing tussen wensen, gevoelens of
motiveren gebeurt impliciet of onbewust. normen binnen de persoon.
• Sommige inhouden zijn bedreigend of • Ambivalentie = tegengestelde gevoelens
kwetsbaar makend en worden daarom niet tegelijk hebben, bv. nabijheid willen en vrezen.
geweten. • Overdeterminatie = gedrag heeft meerdere
• Een symptoom is niet willekeurig: het kan een oorzaken; meervoudige functie = het dient
vroegere oplossing voor een moeilijke situatie meerdere doelen.
zijn.
Het verleden leeft in het heden Afweer, weerstand en techniek
• Vroege ervaringen vormen scripts/templates • Afweer leidt aandacht weg van pijnlijke of
waarmee het heden wordt gelezen. botsende ervaring; dit beschermt het
• Overdracht = oude verwachtingen en psychisch evenwicht.
verlangens worden actief in de relatie met de • Weerstand = afweer die de gezamenlijke
therapeut. therapeutische taak belemmert.
• Tegenoverdracht = reacties van de therapeut • Vrije associatie volgt betekenisvolle
worden informatie over wat tussen beiden verbanden; psychische continuiteit benadrukt
ontstaat. dat gedachten niet toevallig opduiken.
• Relationeel denken: patient en therapeut • Therapie is een gedeelde inspanning, maar
beinvloeden elkaar wederzijds. geen symmetrische relatie.
Kernroute - zo bouw je een examenantwoord op
• Schema: Onbewust mentaal leven -> Conflict, ambivalentie en veelvoud -> Het verleden leeft in het
heden -> Afweer, weerstand en techniek.
• Examenzin: Shedler maakt klassieke psychoanalytische begrippen klinisch bruikbaar: klachten zijn vaak
vroegere oplossingen, het heden draagt het verleden mee en verandering ontstaat door samen patronen
te onderzoeken.
2/27
, Psychodynamische therapie
HOC 1 | onderzoek en hedendaagse techniek
Falk Leichsenring effectiviteitsonderzoek
Wat voegt hij toe? Examengericht onthouden
• Bundelt onderzoek naar de werkzaamheid van • PDT is niet enkel een historische theorie; er is
PDT. empirische ondersteuning.
• De SV noemt sterke evidentie bij depressieve • Effectiviteit hangt samen met indicatiestelling,
en somatische symptoomstoornissen. frequentie, relatie en therapeutfactoren.
• Bij angst- en persoonlijkheidsstoornissen is het • Zijn bijdrage is vooral onderzoeksmatig, niet
effect vergelijkbaar met andere therapieen. een nieuw model van de psyche.
In een lijn
• Kern: Bundelt onderzoek naar de werkzaamheid van PDT.
• Gevolg: Zijn bijdrage is vooral onderzoeksmatig, niet een nieuw model van de psyche.
Allan Abbass ISTDP en somatische symptomen
ISTDP Experientiele exposure
• Intensive Short-Term Dynamic Psychotherapy = • Experientiele exposure = gevoel veilig
korte, actieve en directieve PDT. doorleven, niet alleen erover praten.
• De therapeut volgt lichamelijke signalen van • Keten: lichaamssignaal -> angst herkennen ->
angst/arousal en benoemt afweer in het afweer doorbreken -> gevoel ervaren ->
moment. betekenis geven.
• Doel: de client komt bij het onderliggende • Verschil met klassieke neutraliteit: de
affect in plaats van het via het lichaam te uiten. therapeut is veel directiever en bewaakt dat de
client niet dissocieert.
In een lijn
• Kern: Intensive Short-Term Dynamic Psychotherapy = korte, actieve en directieve PDT.
• Gevolg: Verschil met klassieke neutraliteit: de therapeut is veel directiever en bewaakt dat de client niet
dissocieert.
3/27