Ademhaling
Inleiding – ademhaling:
- Cellulaire of ‘interne’ ademhaling: op het niveau van onze cellen, bv
cellulaire ademhaling in de mitochondriën.
= Biomedisch proces dat O2 verbruikt en CO2 (en ATP) produceert.
- Externe ademhaling: de ademhaling zoals wij ze kennen.
= Opname O2 en afgifte CO2.
° Gebeurt meestal in speciale systemen.
° Ademhalingsorganen Aan/afvoer van gassen.
Gasuitwisseling.
Gasuitwisseling: proces waarbij zuurstof en koolstofdioxide voor elkaar
gaan uitgewisseld worden. Inademen: zuurstof inademen, komt terecht in
de longen. Het zuurstof verplaatst zich naar de bloedbaan. Voor
koolstofdioxide gebeurt het omgekeerde: zit aan hoge concentratie in onze
bloedbaan, gaat vanuit bloedbaan naar de longen zodat we die CO2
kunnen uitademen.
Principes gasuitwisseling:
- In vloeibaar milieu, zelfs in landvertebraten (waterlaag op
ademhalingsepitheel).
- Via diffusie: stof verplaatst zich van milieu met hoge concentratie naar
milieu met lage concentratie.
Diffusiesnelheid: Wet van Fick.
- S= diffusiesnelheid.
- D= diffusieconstante (grootte, permeabiliteit, …).
- A= oppervlakte waarover diffusie plaatsvindt.
- Delta p= drukverschil tussen de 2 regio’s.
- d= afstand waarover diffusie plaatsvindt. (= Dikte van de scheidingswand
tussen de 2 milieu’s).
Groot oppervlakte, hoog drukverschil en een kleine afstand =
optimale/snellere diffusiesnelheid.
- Unicellulaire organismen:
° Rechtstreekse diffusie.
° Cilia om waterstroom te verzekeren.
Cilia= kleine haartjes op het oppervlakte, moeten voortdurend in
beweging zijn om het water rondom dat organisme in beweging te houden
zodat het organisme voortdurend in contact komt met zuurstofrijk water.
Als het organisme voortdurend in contact is met zuurstofrijk water =
verhoogd drukverschil = optimale diffusie.
° Verhoogd drukverschil (dus grotere diffusiesnelheid).
- Multicellulaire dieren:
° Aangepaste systemen voor gasuitwisseling.
, ° Verhoogde oppervlakte en verminderde diffusie-afstand.
Variaties in ademhaling:
Kieuwademhaling:
- Kieuwen = gespecialiseerde weefselextensies die in onmiddellijk contact
staan met water.
- Kenmerken:
° Groot oppervlak en dunne wand (Wet van Fick).
° Extern of intern.
- Aanwezig bij:
° Vele Protostomia: veel Mollusca, deel Annelide, Crustacea.
° Deuterostomia: Echinodermata, vissen, larvale amfibieën.
- Externe kieuwen zijn niet bedekt met ander weefsel:
° In eerste vissen en larvale amfibieën.
° Nadelen:
Constante beweging noodzakelijk om contact met vers O2 rijk water te
verzekeren.
Gemakkelijk beschadigd.
- Interne kieuwen (beenvissen): tussen orale holte en operculaire of
kieuwholtes.
° Holtes functioneren als pompen die alternerend uitzetten. Waardoor het
water over de kieuwen heen geduwd wordt.
° Water gaat in mond, over kieuwen en terug uit de vis door het open
operculum (=
kieuwdeksel).
- O2 rijk water
wordt over
kieuwen
gebracht via:
° Bucale
drukpomp –
operculaire
zuigpomp.
° Ramventilatie (tonijn).
Vis zwemt continu met mind en operculum open. Zodat er continu water
over de kieuwen heen stroomt en zo continu zuurstof binnen krijgt.
Tonijnvissen hebben een grote energiebehoefte.
- Aan elke kant van het hoofd: kieuwbogen die elk opgebouwd zijn uit 2 rijen
van kieuwfilamenten, die bestaan uit lamellen.
- Water stroomt over lamel in 1 richting.
- Binnen elke lamel stroomt het bloed in tegengestelde richting t.o.v. de
waterstroom = tegenstroomuitwisseling. Creëert maximale
oxygenatie van bloed.
! Water en bloed stromen in tegengestelde richting !
Inleiding – ademhaling:
- Cellulaire of ‘interne’ ademhaling: op het niveau van onze cellen, bv
cellulaire ademhaling in de mitochondriën.
= Biomedisch proces dat O2 verbruikt en CO2 (en ATP) produceert.
- Externe ademhaling: de ademhaling zoals wij ze kennen.
= Opname O2 en afgifte CO2.
° Gebeurt meestal in speciale systemen.
° Ademhalingsorganen Aan/afvoer van gassen.
Gasuitwisseling.
Gasuitwisseling: proces waarbij zuurstof en koolstofdioxide voor elkaar
gaan uitgewisseld worden. Inademen: zuurstof inademen, komt terecht in
de longen. Het zuurstof verplaatst zich naar de bloedbaan. Voor
koolstofdioxide gebeurt het omgekeerde: zit aan hoge concentratie in onze
bloedbaan, gaat vanuit bloedbaan naar de longen zodat we die CO2
kunnen uitademen.
Principes gasuitwisseling:
- In vloeibaar milieu, zelfs in landvertebraten (waterlaag op
ademhalingsepitheel).
- Via diffusie: stof verplaatst zich van milieu met hoge concentratie naar
milieu met lage concentratie.
Diffusiesnelheid: Wet van Fick.
- S= diffusiesnelheid.
- D= diffusieconstante (grootte, permeabiliteit, …).
- A= oppervlakte waarover diffusie plaatsvindt.
- Delta p= drukverschil tussen de 2 regio’s.
- d= afstand waarover diffusie plaatsvindt. (= Dikte van de scheidingswand
tussen de 2 milieu’s).
Groot oppervlakte, hoog drukverschil en een kleine afstand =
optimale/snellere diffusiesnelheid.
- Unicellulaire organismen:
° Rechtstreekse diffusie.
° Cilia om waterstroom te verzekeren.
Cilia= kleine haartjes op het oppervlakte, moeten voortdurend in
beweging zijn om het water rondom dat organisme in beweging te houden
zodat het organisme voortdurend in contact komt met zuurstofrijk water.
Als het organisme voortdurend in contact is met zuurstofrijk water =
verhoogd drukverschil = optimale diffusie.
° Verhoogd drukverschil (dus grotere diffusiesnelheid).
- Multicellulaire dieren:
° Aangepaste systemen voor gasuitwisseling.
, ° Verhoogde oppervlakte en verminderde diffusie-afstand.
Variaties in ademhaling:
Kieuwademhaling:
- Kieuwen = gespecialiseerde weefselextensies die in onmiddellijk contact
staan met water.
- Kenmerken:
° Groot oppervlak en dunne wand (Wet van Fick).
° Extern of intern.
- Aanwezig bij:
° Vele Protostomia: veel Mollusca, deel Annelide, Crustacea.
° Deuterostomia: Echinodermata, vissen, larvale amfibieën.
- Externe kieuwen zijn niet bedekt met ander weefsel:
° In eerste vissen en larvale amfibieën.
° Nadelen:
Constante beweging noodzakelijk om contact met vers O2 rijk water te
verzekeren.
Gemakkelijk beschadigd.
- Interne kieuwen (beenvissen): tussen orale holte en operculaire of
kieuwholtes.
° Holtes functioneren als pompen die alternerend uitzetten. Waardoor het
water over de kieuwen heen geduwd wordt.
° Water gaat in mond, over kieuwen en terug uit de vis door het open
operculum (=
kieuwdeksel).
- O2 rijk water
wordt over
kieuwen
gebracht via:
° Bucale
drukpomp –
operculaire
zuigpomp.
° Ramventilatie (tonijn).
Vis zwemt continu met mind en operculum open. Zodat er continu water
over de kieuwen heen stroomt en zo continu zuurstof binnen krijgt.
Tonijnvissen hebben een grote energiebehoefte.
- Aan elke kant van het hoofd: kieuwbogen die elk opgebouwd zijn uit 2 rijen
van kieuwfilamenten, die bestaan uit lamellen.
- Water stroomt over lamel in 1 richting.
- Binnen elke lamel stroomt het bloed in tegengestelde richting t.o.v. de
waterstroom = tegenstroomuitwisseling. Creëert maximale
oxygenatie van bloed.
! Water en bloed stromen in tegengestelde richting !