THEORETISCHE AANPAKKEN VAN HET AUTOBIOGRAFISCH
GEHEUGEN
KERNBEGRIPPEN
Zelfgeheugensysteem: model dat stelt dat het geheugen van een persoon georganiseerd is rond zijn of
haar zelfconcept. Autobiografische herinneringen en zelfkennis vormen een samenhangend geheel dat
helpt bij het behouden van een gevoel van identiteit over tijd.
Generatieve terugkeer (generative retrieval): opzettelijke of vrijwillige constructie van
autobiografische herinneringen gebaseerd op iemands huidige doelen.
Directe terugkeer (direct retrieval): onvrijwillige terugkeer van autobiografische herinneringen door
een specifiek teken, dus het wordt getriggerd. Je hoort bijvoorbeeld ‘’Parijs’’ op de radio en je wil er
meteen heen op vakantie.
Retrograde amnesie: je verliest je geheugen van voordat je de aandoening kreeg die het
geheugenverlies veroorzaakt heeft.
Over-algemeen geheugen: individu haalt voornamelijk algemene herinneringen op, dus er is een
vermindering te zien in het aantal specifieke herinneringen. Dit komt voor bij mensen met een
depressie.
Compartimentalisering: de mate waarin de proportie negatieve items varieerde gedurende de
levensperioden.
Positief ontslag (positive redundancy): de mate waarin dezelfde positieve items gebruikt zijn
gedurende levensperioden.
Negatief ontslag (negative redundancy): de mate waarin dezelfde negatieve items gebruikt zijn
gedurende levensperioden.
SAMENVATTING
Zelfgeheugensysteem (Conway en Pleydell-Pearce)
Autobiografisch geheugen (autobiographical memory knowledge base)
o Levensperioden (grote levensgebeurtenissen, zoals samenwonen met iemand)
o Algemene gebeurtenissen
Herhaaldelijke gebeurtenissen (bijvoorbeeld de sportclub bezoeken)
Enkele gebeurtenissen (bijvoorbeeld een vakantie in Australië)
o Gebeurtenis-specifieke kennis (kennis die bestaat uit beelden, gevoelens en andere
details gerelateerd aan algemene gebeurtenissen, met een tijdspan van seconden tot
uren, bijvoorbeeld die ene avond dat je een prijs won)
Werkend zelf (working self)
o Gaat over het zelf, het toekomstbeeld van het zelf en de huidige doelen van het
individu
, o Invloed op opgeslagen herinneringen in autobiografisch geheugen bepaalt welke
herinneringen toegankelijk zijn en op welke manier ze verwerkt en geïnterpreteerd
worden
Autobiografische herinneringen kunnen op twee manieren worden bereikt:
1. Generatieve terugkeer (gebaseerd op iemands huidige doelen, opzettelijk of vrijwillig)
2. Directe terugkeer (gebaseerd op een trigger door specifiek teken, niet-vrijwillig) snellere
terugkeer van herinneringen vanwege de automatische aard, maar minder relevant
Andere hersendelen zijn actief tijdens het terughalen op de generatieve (prefrontale cortex) of
directe (hippocampus) manier wat stelt dat de twee manieren van terugkeer van elkaar verschillen.
We willen dat onze autobiografische herinneringen overeenkomen met onze huidige doelen en
overtuigingen en dat ze accuraat zijn.
Limitaties van zelfgeheugensysteem:
Het model legt niet alle betrokken hersengebieden en -processen vast.
We moeten meer te weten komen over hoe het werkend zelf interageert met het
autobiografische geheugen om specifieke herinneringen terug te halen.
Er is niet duidelijk in welke mate autobiografische herinneringen bestaan uit episodische
informatie (bijvoorbeeld contextuele details) en semantische informatie (bijvoorbeeld
woordkennis).
Patiënten met retrograde amnesie
Deze patiënten hebben vaak moeite met het terughalen van gebeurtenis-specifieke kennis.
Daarentegen kunnen ze wel algemene gebeurtenissen en levensperioden herinneren, zo ook hun
persoonlijkheid.
Twee persoonlijkheidstypen:
1. Agentisch (onafhankelijkheid, dingen bereiken en persoonlijke macht)
2. Communaal (afhankelijkheid en gelijkenis met anderen)
Wanneer deelnemers gevraagd werden naar positieve en negatieve persoonlijke ervaringen, haalde
het merendeel van de agentische deelnemers een agentische herinnering op (zelfde geldt voor
communale deelnemers).
Depressie
De opgeslagen informatie in het zelfgeheugen systeemmodel weerspiegelt de persoonlijkheid en
gevoel van eigenwaarde van het individu. Dit betekent dat we kunnen onderzoeken hoe
autobiografische herinneringen in depressieve en niet-depressieve individuen verschillen.
Er is associatie/correlatie gevonden tussen depressie en verlaagde geheugenspecificiteit over-
algemeen geheugen. De mate van dit geheugen kan iemand vatbaarder maken voor depressieve
symptomen en de negatieve gevolgen van emotioneel misbruik.
Een cognitief ontwijkende strategie kan betrokken zijn bij een over-algemeen geheugen. Zo worden
bijvoorbeeld herinneringen met intense negatieve emoties ontweken.
Onderzoek van Dalgleish et al., 2011: patiënten met grote depressie benoemden hun
belangrijkste levensperioden en koppelde daar positieve en negatieve items aan. Er is gekeken
naar de negatieve items, compartimentalisering, positief ontslag en negatief ontslag.