Toets deel 1
Pedagogiek Is de wetenschap die zich bezighoudt met de opvoeding. Er zijn
verschillende begrippen:
- Opvoedkunde Gaat vooral over de vaardigheden van de opvoeder
- Opvoedingsleer Gaat over het verzamelen van kennis over opvoeden
- Opvoedingswetenschap Ontwikkelt theorieën en methoden over
opvoeden
Pedagogiek gebruikt kennis van andere wetenschappen. Dit worden
hulpwetenschappen genoemd. Belangrijke hulpwetenschappen zijn: psychologie,
sociologie, filosofie, theologie en andragogie.
De pedagogiek probeert bijvoorbeeld te begrijpen: wat goede opvoeding is, hoe
kinderen zich ontwikkelen, hoe ouders invloed hebben op kinderen, welke
opvoedingsmethoden werken, wat kinderen nodig hebben.
Opvattingen over opvoeding
- Langeveld zegt dat opvoeding alle omgang tussen kinderen en
volwassenen omvat. Daarbij zijn liefde, geborgenheid en aandacht
belangrijk.
- Malschaert en Traas leggen de nadruk op een opvoedrelatie waarin
intimiteit en veiligheid belangrijk zijn.
- Rispens, Hermanns en Meeus beschrijven opvoeding aan de hand van
vier dimensies; 1. Grenzen stellen 2 instructie geven 3 ondersteuning
bieden 4 controle uitoefenen
- Kuipers noemt als belangrijke opvoedingsdoelen: zelfstandigheid,
zelfredzaamheid en zelfvertrouwen. Het gedrag van de ouder kan ervoor
zorgen dat het kind deze eigenschappen ontwikkelt
Paidagoogia Het woord pedagogiek komt onder andere van Paidagoogia: pais
= kind en agogein = leiden. De opvoeder heeft dus de taak om het kind de
wereld in de leiden.
,Toets deel 2
17e eeuw,
Empirisme betekent dat kennis vooral uit ervaring en waarneming komt. Dus
je leert door goed te kijken, te ervaren en te observeren. Pas wanneer iets vaak
genoeg is waargenomen, kun je volgens het empirisme algemene conclusies
trekken. Dit noemen we inductie
Rationalisme Het rationalisme is anders. Hierbij is niet de waarneming, maar
de rede belangrijk. Rede = na denken en logisch redeneren.
- Empirisme waarnemen
- Rationalisme denken
18e eeuw – De verlichting
Tijdens de verlichting ontstond het idee dat de mens maakbaar is. Dat betekent
dat door goede opvoeding en goed onderwijs kun je de ontwikkeling van een
mens beïnvloeden. Opvoeding werd gezien als een manier om:
- Mensen verstandiger te maken
- Maatschappelijke vooruitgang te bereiken
- Redelijkheid te ontwikkelen
Rousseau vond vooral de natuurlijke ontwikkeling van het kind belangrijk. Dit
droeg bij aan systematischer onderwijs en kindgerichte pedagogiek.
Vanaf 1800 – Romantiek
De romantiek ontstond als reactie op de nadruk op verstand en kennis. Bij de
romantiek staan vooral gevoelens, het gevoelsleven en de unieke persoon
centraal. De mens is dus niet alleen een rationeel wezen. Iedere persoon is uniek.
Eind 19e eeuw - Reformpedagogiek
De reformpedagogiek was een vernieuwingsbeweging in opvoeding en onderwijs.
Er zijn 5 belangrijke kenmerken
1. Het kind staat centraal Niet de leerstof, maar het kind is het
uitgangspunt
2. Vertrouwen in natuurlijke ontwikkeling Men had vertrouwen in de
ontwikkeling van het kind. Dwang en autoriteit werden negatief gevonden.
3. Lichamelijke en kunstzinnige ontwikkeling Gymnastiek, tekenen en
muziek waren belangrijk. Niet alleen taal en rekenen.
4. Kinderen zijn actief Kinderen leren door te spelen en actief bezig te
zijn. Van kinderen wordt niet verwacht dat ze de hele dag stilzitten.
5. Individualisering en gemeenschap Er moet rekening worden
gehouden met de interesses en eigenschappen van ieder kind.
Samenwerken is belangrijk.
, Toets deel 3
Om te bepalen of iets opvoeding is, zijn er drie dingen belangrijk:
1. Wederzijds respect De opvoeder en het kind behandelen elkaar met
respect
2. Veiligheid Het kind moet zich voldoende veilig voelen
3. Uitdaging Het kind moet worden uitgedaagd om dingen te proberen en
te experimenteren. Daarnaast komen bij opvoeding steeds de volgende
zaken terug; intimiteit, veiligheid, grenzen, instructie, ondersteuning,
controle, zelfstandigheid, zelfredzaamheid en zelfvertrouwen.
Toets deel 4
1. Ondersteuning bieden De ouder ondersteunt het kind. Dit kan
bijvoorbeeld door; belonen, straffen, sensitief ( je merkt wat een kind voelt
of nodig heeft) reageren en responsief (je reageert vervolgens ook op wat
het kind nodig heeft) reageren.
2. Instructie geven De opvoeder maakt duidelijk wat de bedoeling is,
wat het kind moet doen en wat er van het kind wordt verwacht.
3. Controle uitoefenen De ouder controleert of het kind zich aan regels
en afspraken houdt.
- Autoritaire controle De ouder gebruikt veel druk om het kind
goed gedrag te laten vertonen.
- Autoritatieve controle De ouder geeft uitleg, stelt eisen,
geeft informatie, geeft instructies, geeft suggesties en geeft
aanwijzingen.
4. Grenzen stellen De ouders maakt duidelijk: Wat mag wel en wat mag
niet. De ouder kan bijvoorbeeld gedrag belonen of straffen. Het
uitgangspunt hierbij is dat gedrag kan worden aangeleerd en dus ook kan
worden afgeleerd.
Onthouden: OICG (Ondersteuning, Instructie, Controle en Grenzen)
Toets deel 5
Intentioneel opvoedingsgedrag Je voedt bewust op om bepaalde doelen te
bereiken. Intentioneel betekent bewust of met een doel. De drie
opvoedingsdoelen:
1. Zelfstandigheid Het kind kan zelf keuzes maken. Het kind krijgt het
recht om een eigen leven te hebben en zelf te ontdekken wat belangrijk is.
2. Zelfredzaamheid Het kind kan zelf keuzes maken, keuzes uitleggen en
verantwoordelijkheid nemen