Leereenheid 2:
Gebruik van controlebevoegdheden ter opsporing:
HR 9 oktober 2018, NJ 2019/24, m.nt. Reijntjes (project Moerlander)
Zolang een dergelijke controlebevoegdheid, uitgevoerd door een daartoe bevoegde
opsporingsambtenaar, mede is uitgeoefend ter controle van de naleving van de bij of
krachtens de WVW 1994 vastgestelde voorschriften als bedoeld in het eerste en het vierde lid
van art. 160 WVW 1994 is die uitoefening derhalve in beginsel rechtmatig, ook indien die
bevoegdheid daarnaast het verrichten van opsporingshandelingen mogelijk maakt waarop
deze bepalingen niet zien.
HR 3 december 2024, ECLI:NL:HR:2024:1769 (verduistering crossmotor)
Verduistering crossmotor tijdens proefrit (art. 321 Sr). Schending cautieplicht art. 29.2 Sv en
informatieplicht art. 27c.2 Sv voor verhoor van niet-aangehouden verdachte. Verweer dat
opsporingsambtenaar verplicht was cautie te geven aan verdachte en hem te wijzen op zijn
recht op rechtsbijstand, voordat hij hem aansprak op het rijden met een van diefstal
afkomstige crossmotor, art. 359a Sv.
Art. 29.2 Sv beoogt verdachte te behoeden tegen ongewilde medewerking aan zijn eigen
veroordeling. Op grond van die bepaling moet verdachte voor verhoor worden medegedeeld
dat hij niet verplicht is tot antwoorden en moet die mededeling in p-v worden opgenomen.
HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2021:853 m.b.t. redelijk vermoeden van schuld
en verhoorsituatie en uit HR:2018:368, inhoudende dat aan niet-aangehouden verdachte
voorafgaand aan zijn eerste verhoor mededeling moet worden gedaan van recht op
, rechtsbijstand en dat niet-naleving van dat voorschrift in beginsel vormverzuim a.b.i. art.
359a Sv oplevert.
Hof heeft het tot bewijsuitsluiting strekkende verweer verworpen op grond dat geen sprake
was van redelijk vermoeden van schuld aan strafbaar feit toen verdachte door
opsporingsambtenaar werd aangesproken. Dat oordeel is niet zonder meer begrijpelijk. Uit
p-v van bevindingen van politie volgt immers allereerst dat opsporingsambtenaar al voordat
hij verdachte aansprak, hem had herkend op camerabeelden waarop dader van diefstal of
verduistering van crossmotor te zien zou zijn. Verder volgt daaruit dat opsporingsambtenaar
vervolgens verdachte heeft geconfronteerd met die herkenning, hem heeft gezegd dat hij
verdachte had zien rijden op crossmotor die van diefstal afkomstig was en dat het
opsporingsambtenaar verbaasde dat verdachte “betrokkenheid heeft bij dit soort
praktijken”, waarmee opsporingsambtenaar kennelijk reactie van verdachte m.b.t. zijn
betrokkenheid bij strafbaar feit (diefstal of verduistering van die crossmotor) wilde verkrijgen
en waardoor sprake was van verhoor a.b.i. art. 29.2 Sv.
Dit hoeft echter bij gebrek aan belang niet tot cassatie te leiden. Gelet op inhoud van
bewijsmiddelen is bewezenverklaring (ook met weglating van verklaring van verdachte)
toereikend gemotiveerd.
Leereenheid 3:
Motivering vluchtgevaar:
EHRM 9 februari 2021, NJ 2021/94, m.nt. Myjer (Hasselbaink t. Nederland)
De Nederlandse rechter heeft in deze zaak onvoldoende gemotiveerd waarom de verlenging
van de voorlopige hechtenis van Hasselbaink nodig was. Dat is in strijd met mensenrechten.
Voortzetting is niet toegestaan om voor te sorteren op de uiteindelijk op te leggen straf.
Volgens het EHRM dient ook de verlengingsbeslissing voldoende gemotiveerd te worden aan
de hand van relevante en actuele omstandigheden van het geval.
HR 9 april 2024, NJ 2024/200, m.nt. Jorg (consultatierecht)
Mag een verhoor, zonder rechtsbijstand, afgelegde verklaring van een minderjarige
verdachte worden gezien als bewijsstuk voor de bewezenverklaring van het ten laste gelegde
feit? Op grond van art. 489 Sv moet een minderjarige verdachte die wordt opgehouden voor
onderzoek te allen tijde worden bijgestaan door een raadsman. De Hoge Raad oordeelt dat
het niet in achtnemen van art. 489 Sv een vormverzuim oplevert. De verklaring mag daarmee
niet als bewijsstuk dienen voor de bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit.
Leereenheid 4:
EHRM 24 april 1990, ECLI:CE:ECHR:1990:0424JUD001180185, NJ 1991/523, m.nt.
Dommering (Kruslin t. Denemarken)
In dit arrest gaat het over het afluisteren van telefoongesprekken in Frankrijk. In de Kruslin-
zaak werden de telefoongesprekken van een verdachte afgeluisterd in verband met een
moord. Kruslin maakte gebruik van die telefoon en zo ontdekte de politie dat Kruslin