Hoofdstuk 1: bulleuze dermatosen
Inleiding
Bulleuze dermatosen (= blaarziekten) = congenitaal of verworven
o Verworven/secundair = bv brandwonde, veel vocht in de benen,…
Gemiddelde huidoppervlakte = 1,8 m2 —> 16% lichaamsgewicht
o 3 lagen —> extra stevigheid (zolang lagen goed aan elkaar hangen)
Epidermis
Dermis
Subcutis
o Belangrijk verankeringssysteem tussen epidermis en dermis = basale membraan
zone = dermo-epidermale junctie
Cytoskelet + hemisdesmorale plaque + plasmamembraan basale keratinocyt
Veel blaarziekten = “plak” eiwitten kapot —> lagen komen los van
elkaar waardoor ontstaan blaren
Lamina lucida
Lamina densa
Sublamina densa
o Huid = verschillende adnexen
Haren
Zweet- en talgklieren
Nagels
Bulleuze dermatosen: congenitaal: epidermolysis bullosa
Epidermolysis bullosa = ontstaan tgv genetische fouten in code verschillende structuur
en/of adhesie-eiwitten in huid
o Epidermolysis bullosa simplex = splijting doorheen basale keratinocyten (KC)
Oppervlakkige dunne letseltjes —> genezen zonder veel littekens
Mildste vorm —> vooral aantasting handen en voetzolen
o Junctionele epidermolysis bullosa = splijting doorheen lamina lucida
Diepere letsels = meer problemen bij genezing
Vaak lethaal
o Dystrofische epidermolysis bullosa = splijting onder lamina densa
Diepere letsels = meer problemen bij genezing
Diepe blaren met ernstige verlittekening —> kan leiden tot fusie vingers en
tenen en andere ernstige afwijkingen
Hoger risico op huidkanker door vele vernieuwingen cellen
Genetica = belangrijk voor diagnose —> fout in DNA = foute “plak” eiwitten = huid hangt
niet goed aan elkaar
o Zeer zeldzaam, vooral bij jonge mensen
o Verschillende subtypes met sterk verschillende prognose
Gemeenschappelijke kenmerken epidermolysis bullosa
o Mechanische fragiliteit —> kunnen niet goed tegen mechanische wrijving
, Bv onmiddellijk blaren/erosies bij op blote voeten lopen
o Ontwikkeling blaren/erosies
o Verlittekening
Bulleuze dermatosen: verworven: auto-immuun
Pathogenese auto-immune bulleuze dermatose = productie auto-antistoffen (onbekend)
o Antistoffen gericht tegen lichaamseigen eiwitten
o Antistoffen tegen adhesie-eiwitten gelegen op verschillende niveaus huid en
slijmvliezen
Aantonen auto-antistoffen = essentieel voor diagnose —> directe immunofluorescentie (IF)
op weefsels of ELISA of indirecte immunofluorescentie op bloed
o Directe IF (DIF) op biopt huid/slijmvlies patiënt
Niet-kwantitatief —> enkel info over aanwezigheid van As
o Indirecte IF op serum patiënt dat op substraat slokdarm aap wordt aangebracht
Niet-kwantitatief
o ELISA op serum van patiënt = kwantitatieve methode
Informatie over hoeveelheid antistoffen
Verschillende auto-immune blaarziekten
o Pemphigus groep = loskomen cellen epidermis (keratinocyten)
Pemphigus vulgaris
Pemphigus foliaceus
Paraneoplastische pemphigus
IgA pemphigus
o Pemfigoïd groep = loskomen epidermis van dermis
Bulleus pemfigoïd
Pemfigoïd gestationis
Lineaire IgA dermatose
Mucosaal membraan pemfigoïd
Anti-p200 pemfigoïd
Epidermolysis bullosa acquisita
o Dermatitis herpetiformis
,Bulleuze dermatosen: verworven: auto-immuun: pemphigus groep
Auto-antistoffen = IgG type —> binden desmogleine (= desmosaal cadherine dat
tussenkomt in intercellulaire adhesie tussen keratinocyten in de epidermis waardoor
onderling loskomen keratinocyten (= acantholyse))
o Desmogleine 1 = voornaamste in huid
o Desmogleine 3 – voornaamste in mucosa
Pemphigus vulgaris = zeldzame, maar wereldwijde aandoening (man = vrouw) met
piekleeftijd 40-60j
o Pathogenese = IgG antistoffen tegen desmogleine 3 (= slijmvlies) of desmogleine 3 +
desmogleine 1 (= slijmvlies + huid)
APO = intra-epidermale suprabasale blaarvorming
Directe immunofluorescentie (DIF) = intracellulaire depositie IgG/C3 in
epidermis in honinggraadpatroon
o Kliniek = mucosale aantasting
50% = initiële aantasting thv mond —> pijnlijke erosies met trage heling thv
posterieure buccale mucosa, gingiva en labiale en linguale mucosa
Kan beperkt blijven tot mucosa = mucosaal type
Vervelend —> moeilijk eten
Deel patiënten = bijkomende huidaantasting
Voorkeursplaatsen = gelaat + romp (vooral intertrigineuze gebieden
= plooien)
o Plooien = veel wrijving —> letsels krijgen vegeterend aspect
(= verdikt + nattend + groeiend)
o Gelaat = veel impact omgevingsfactoren
Efflorescenties = slappe broze blaren en erosies op normale huid (=
niet jeukend)
o Meestal geen blaren —> zeer oppervlakkig
o Wrijven kan erosie erger maken
Nikolsky = positief —> loslating huid bij zijdelingse druk
Pemphigus foliaceus = mildere variant vulgaris met enkel aantasting huid (nog
oppervlakkiger vs vulgaris)
o Pathogenese = IgG antistoffen tegen desmogleine 1 (= huid)
APO = intra-epidermale subcorneale blaarvorming
Directe immunofluorescentie (DIF) = intracellulaire depositie IgG/C3 in
honinggraadpatroon
o Kliniek = GEEN mucosale aantasting (DD vulgaris) —> enkel huidaantasting
Gelokaliseerde vorm vs gegeneraliseerde vorm
Vooral thv seborrhoische gebieden (hoofd, hals en romp)
Efflorescenties = oppervlakkige zeer fragiele blaren met subcorneale
splijting —> erytheem + korstvorming + schilfering
Nikolsky positief
o DD met andere huidaandoeningen (bv psoriaris of eczeem) —> geen beterschap na
initiële therapie + pijn, maar geen jeuk + nattig
Continue rode korstvormige plekken
, Pemphigus vulgaris (PV) Pemphigus foliaceus (PF)
Kliniek Blaren en erosies op huid en Enkel huidaantasting
vooral mucosa
APO Intra-epidermale suprabasale Intra-epidermale subcorneale
blaar blaar
DIF Honinggraadpatroon in Honinggraadpatroon in
epidermis epidermis
ELISA Anti-Dsg 3 of anti-Dsg1 en Anti-Dsg 1
anti-Dsg 3
Prognose Voor introductie CS in 75% Minder agressief verloop vs
gevallen lethaal PV met betere prognose
Behandeling - Hoge dosis CS systemisch +/- - Gelokaliseerde vorm = sterke
steroïdsparende medicatie lokale CS of CS systemisch
- Rituximab (= monoklonaal Ab - Uitgebreide vorm =
tegen CD20 op B-lymfocyten) systemische CS +
steroïdsparende crème
- Soms Rituximab
ALTIJD bij diagnose PV of PF bloedname en biopsie om As aan te tonen —> behandeling
systemisch (tenzij heel lokale PF)
o Zware behandelingen met soms ernstige neveneffecten
Immunosuppressie (auto-antistoffen)
Rituximab = uitschakelen B-cellen = wegvallen auto-antistoffen —>
aandoening komt tot rust
Ook nood aan antistoffen voor pathogenen —> hoger infectierisico
tijdens behandeling
Bulleuze dermatosen: verworven: auto-immuun: pemfigoïd groep
Pemfigoïde aantasting = aantasting op overgang epidermis naar dermis —> dikker “dak”
van de blaar
Bulleus pemfigoïd = auto-IgG-antistoffen tegen bulleus pemfigoïd antigen (BPA180/220) in
hemidesmosomen (basale membraan) —> complementactivatie
o Complementactivatie = aantrekken neutrofielen en eosinofielen —> vrijzetting
bioactieve molecules die hemidesmosomen beschadigen
Eerst inflammatie (= rode + jeukende letsels), nadien blaarvorming
Soms jarenlang alleen roodheid en nadien pas blaren
Epidermis komt NIET direct los —> hemidesmosoom pas volledig
kapot tgv inflammatie
Aanval hemidesmosomen —> volledige epidermis komt als flap omhoog
o Vooral bij oudere mensen —> komt steeds vaker voor
Minder zeldzaam dan PV (M = V)
R/ systemische medicatie —> cave mortaliteit door behandeling
o Pathogenese = IgG antistoffen tegen bulleus pemfigoïd antigeen (BPA)
hemidesmosomen
APO = subepidermale blaarvorming