10.1 Het taalsysteem
Niveau Regels voor Onderdeel taalkunde
Fonologisch niveau Uitspraak Fonologie
Morfologisch niveau Opbouw van woorden Morfologie
Syntactisch niveau Volgorde van woorden Syntaxis
Semantisch niveau Betekenis Semantiek
Pragmatisch niveau Gebruik Pragmatiek
Orthografisch niveau Spelling Orthografie
Fonologie
De fonologie is de klankleer. We letten op uitspraak van woorden, de regels voor
de volgorde van spraakklanken, de intonatie en/of het woordaccent.
Spraakklanken die in het Nederlands niet voorkomen zijn bijvoorbeeld de ‘ai’ uit
het Engelse bike en de eerste klank in het Franse woord garçon. De
klankencombinatie ‘sch’ is weer typisch voor het Nederlandse klanksysteem. Veel
buitenlanders hebben ook moeite met het uitspreken van de ‘sch’.
Morfologie
De morfologie is een onderdeel van de taalkunde waarin men onderzoekt hoe
woorden zijn opgebouwd uit betekeniselementen en op welke manier een
taalgebruiker nieuwe woorden vormt.
We kennen vier verschillende morfologische principes: samenstelling (twee losse
woorden samengevoegd tot één woord), afleiding (niet alle delen van het woord
kunnen als zelfstandig woord voorkomen), verbuiging (meervouden,
verkleinwoorden, vergelijkingen, buigings-s, buigings-e), vervoeging (voor de
verbuiging van werkwoorden).
Syntaxis
Je kunt een zin isoleren en de relaties tussen de woorden beschrijven. Dat
gebeurt in de syntaxis, de leer van de zinsbouw. Een zin is niet zomaar een
aaneenrijging van woorden. er zijn bepaalde regels voor de manier waarop je
woorden kun combineren. De regels voor de combinatiemogelijkheden van
woorden in een zin noemen we grammaticale of syntactische regels.
Je kunt op verschillende manieren het syntactische niveau van de taal
beschrijven, je kunt letten op:
- Woorden; de eerste manier op het syntactisch niveau van de taal te
beschrijven is het woord benoemen.
Woordsoort Voorbeeld
Zelfstandig naamwoord Dingen, dieren, mensen, planten,
namen
Bijvoeglijk naamwoord Zegt iets over het zelfstandig
naamwoord (mooie)
Telwoord (onbepaalde, bepaalde Duizend, eenentwintigste, enkele,
hoofd- en rangtelwoorden) laatste
Werkwoord (hulp- en Hebben, zijn, integreren
koppelwerkwoord, zelfstandig
werkwoord)
Lidwoord De, het, een
Voornaamwoord (persoonlijk, Hij, zijn, die, men, dat, wie
bezittelijk, aanwijzend, onbepaald,
betrekkelijk, vragend)
, Bijwoord Bijna
Voorzetsel Tussen, onder, op, in, voor, achter
Voegwoord (neven- en En, omdat
onderschikkend)
Tussenwerpsel Ach
De indeling in woordsoorten is gebaseerd op drie verschillende criteria:
- De vorm van een woord.
- De betekenis van een woord.
- De combinatiemogelijkheden met andere woorden.
- Woordgroepen; het kijken naar relaties tussen woorden.
- Zinsdelen; kijken naar de relaties tussen de zinsdelen. Binnen een zin heeft
elk zinsdeel een bepaalde functie. Bij het zinsontleding geven we van elk
zinsdeel de functie in de zin aan.
Functie Voorbeeld
Persoonsvorm Vraagzin maken, tijdproef, onderwerp
van de zin veranderen. Is altijd een
werkwoord.
Onderwerp Wie of wat + persoonsvorm.
(De tulpen bloeien)
Werkwoordelijk gezegde Alle werkwoorden in de zin.
(Hij heeft gefaald)
Naamwoordelijk gezegde Zegt iets over het onderwerp.
(Niets is zeker)
Lijdend voorwerp Wie of wat + onderwerp +
persoonsvorm.
(Robin scoorde het derde doelpunt)
Meewerkend voorwerp Wie of wat + onderwerp +
persoonsvorm + lijdend voorwerp.
(Ik geef iedereen een klein
aandenken)
Voorzetsel voorwerp Een zinsdeel dat begint met een vast
voorzetsel en hoort bij een specifiek
werkwoord.
(Ik wacht al uren op de bus)
werkwoord: wachten op.
Bijwoordelijke bepaling Vragen als waar, wanneer, hoe.
(Morgen kom ik)
Bepaling van gesteldheid Het zegt iets over hoe iets/iemand
erbij zit.
(Hongerig kwamen ze binnen)
Voor de werkwoordspelling is kennis van de termen onderwerp en persoonsvorm
noodzakelijk.
- Zinstypen; het letten op de zin als geheel. Je kunt dan onderzoeken welke
zinstypen er zijn. deze zijn op verschillende manieren te onderscheiden.
Een eerste onderscheid is het volgende:
- Een mededelende zin, onderwerp vooraan en daarna de persoonsvorm.
- Een vragende zin, persoonsvorm vooraan en daarna het onderwerp.
- Een gebiedende zin, het onderwerp in de zin ontbreekt.
Wat de vorm betreft kunnen we onderscheid maken in: