⩩ Embryologie = de studie van het zich ontwikkelende, nieuwe organisme vanaf bevruchting tot geboorte
⩩ Wordt benut om andere disciplines te gaan begrijpen en verklaren
⧙ Om de anatomie te gaan begrijpen; waarom ligt een structuur op een bepaalde plaats
⧙ Om het basispatroon van zeer ingewikkelde structuren te snappen zoals het CZS
⧙ Om geboorteafwijkingen en andere pathologieën te verklaren, deze zijn vaak het resultaat van het vroegtijdig stoppen van de ontwikkeling van een
bepaalde structuur
⩩ Er zijn 5 morfologische verschijnselen die aan de basis liggen van de embryologische ontwikkeling...
1 Celproliferatie
2 Celgroei
3 Celdifferentiatie: we starten van stamcellen die verder zullen differentiëren tot verschillende soorten cellen
⧛ Totipotente cellen: kunnen zowel extra-embryonale als embryonale structuren gaan ontwikkelen
⧛ Pluripotente cellen: kunnen enkel embryonale structuren gaan ontwikkelen
⧛ Multipotenten cellen: kunnen maximaal structuren uit 2 kiembladen gaan maken, niet alle drie
⧛ Uiteindelijk eindigen we met einddifferentiatie waarbij we specifieke celtypen hebben
4 Celmigratie: sommige celsoorten zoals de neurale lijstcellen moeten migreren naar een bepaalde regio vooraleer ze differentiëren
5 Celdood: nodig om bepaalde structuren te gaan vormen zoals bv. de vingers
⩩ Er zijn 2 embryonale periodes te onderscheiden...
1 Prenatale periode: periode voor de bevalling die nog kan worden onderverdeeld in 2 subperiodes...
⧛ Embryonale periode: start van de bevruchting en loopt tot de vorming van de primitieve gemeenschappelijke (tussen alle zoogdieren) lichaamsvorm
⧛ Foetale periode: begint vanaf dat de organen zijn aangelegd (tijdens de embryonale periode) tot de geboorte en omvat verdere maturatie en groei
2 Postnatale periode: periode na de geboorte waar nog verdere ontwikkeling kan plaatsvinden van orgaanstructuren en -systemen
⧛ Nestvlieders: diersoorten die meteen na de geboorte het nest verlaten
⧛ Nestblijvers: diersoorten (waaronder de mens) die nog een tijd in het nest blijven
P a g i n a 1 | 53
,2. De voortplanting
2.1. Spermatogenese
① Het mannelijk voortplantingsstelsel
Het mannelijk voortplantingsstelsel bestaat uit verschillende componenten...
1. Testes/teelballen: productie van niet-mature spermacellen
2. Epididymides/bijballen:
⧙ Maturatie van de spermacellen: zorgen voor spermamotiliteit en
bervuchtingscapaciteit
⧙ Slagen het sperma op
3. Accesoire geslachtsklieren (waaronder de prostaat): aanmaak van zaadplasma, een
voedingsbron en beschermingslaag voor de spermacellen eens ze in de vagina
terechtkomen (vijandige omgeving)
⩩ Sperma = mature spermacellen + zaadplasma
⩩ De testis bestaat uit zaadbuisjes (tubuli seminiferi) die de stamcellen,
spermacellen en de stadia daartussenin bevatten
⧙ Aan de stromale zijde zitten de minst gedifferentieerde cellen namelijk de
spermatogonia
⧙ Een niveau eronder zitten de speermatocyten
⧙ Daaronder is de immature spermatocyt
⧙ En tot slot daaronder de immature spermatozoa die in het lumen wordt gelost
⧙ Tussenin de verschillende stadia van spermacellen zitten de Sertoli cellen die
de differentiatie van de spermacellen zal coördineren
⩩ Tussenin de zaadbuisjes zit stroma die de Leydig cellen bevatten welke
testosterone produceren die van belang is voor de spermatogenese te
stimuleren
P a g i n a 2 | 53
,② De spermatogenese
De spermacytogenese
⩩ Voor de geboorte: we starten bij de spermatogonia type A die via mitose zich zullen delen tot spermatogonia type B (2n ⇢ 2n)
⩩ Na de geboorte: de spermatogonia type B zullen via mitose zich delen tot primaire spermatocyten (2n ⇢ 2n)
⩩ Vanaf de puberteit
⧙ De primaire spermatocyten zullen dan een 1ste meiotische deling ondergaan tot secundaire spermatocyten (2n ⇢ n)
⧙ De secundaire spermatocyten zullen een 2de meiotische deling ondergaan tot spermatiden (n ⇢ n)
De spermiogenese
⩩ De spermatiden zullen morfologische veranderingen ondergaan tijdens de spermiogenese (vanaf de puberteit)
⧙ Het centriool dat zich eerst aan de kop bevindt zal migreren naar beneden toe en een flagel gaan vormen
⧙ Aan de kop zal een acrosoom zich vormen; een vesikel gevuld met
hydrolytische enzymen
⧙ Het cytoplasma dat eerst homogeen verdeelt is over de cel heen,
zal gaan wegstulpen naar beneden toe
⧙ Rondom de flagel, net onder de nucleus, komen een rij van
mitochondriën te zitten
⩩ Wat is nu de functie van elk structuur
⧙ De kop bevat...
⧛ De nucleus met het genetisch materiaal
⧛ De acrosoom met hydrolytische enzymen om de eicel te kunnen binnendringen
⧙ Het middenstuk bevat de centriool die de flagel vasthoudt en een reeks mitochondriën nodig
voor energie (voor het “zwemmen”)
⧙ De staart bevat de flagel welke nodig is om in de eileider naar de eicel voort te bewegen (het
transport tot en met de eileider gebeurt dankzij contracties van de vagina en uterus)
P a g i n a 3 | 53
, 2.2. Ovogenese
① De ovogenese
⩩ De ovogenese omvat de vorming van een mature oöcyt/ovum uit een oögonium
⩩ Voor de geboorte zal...
⧙ De oögonium mitose ondergaan tot de primaire oöcyt
⧙ De primaire oöcyt een eerste meiotische deling ondergaan
⧙ Er worden enorm veel geproduceerd waarna er massief apoptose optreedt van gemuteerde cellen, er
treedt dus een selectie op van de beste oöcyten en deze zullen dan worden behouden
⩩ Vanaf de puberteit zal de primaire oöcyt verder groeien en ontwikkelen
⩩ Na de ovulatie maakt de primaire oöcyt de 1ste meiotische deling af en wordt hij een secundaire oöcyt
die de 2de meiotische deling start maar stillegt (hij gaat pas verder na een bevruchting)
⩩ Bij elke meiose wordt ook een poolichaampje aangemaakt dat geen functie heeft
⩩ Als een bevruchting pas 40j (of later) plaatsvindt, dan is de oöcyt al 40j in cyclus arrest en kunnen er makkelijk complicaties en geboorteafwijkingen
optreden
⩩ In het ovarium
② De folliculogenese
1. De primordiale follikel zal een laag afgeplatte cellen bevatten rondom zich
genaamd de granulosa cellen
2. De primaire follikel zal een zon pellucida rondom zich krijgen (een
glycoproteïnen beschermingslaag) en de laag granulosa cellen worden
kubisch
3. De secundaire follikel krijgt meerdere lagen granulosa cellen rondom zich
en een holte gevult met vocht begint te vormen genaamd het antrum
4. De tertiaire follikel krijgt nog meer lagen rondom zich en het antrum groeit
verder
5. Het mature follikel bevat een groot antrum en de secundaire oöcyt omringt
door een zona pellucida en lagen granulosa cellen zit op een schiereilandje
in het follikel genaamd de cumulus oöphorus
⩩ De follikel produceert oestrogeen
⩩ Als een ovulatie optreedt, dan barst het oövum uit de follikel samen met zijn laagje granulosa cellen en de zona pellucida, er komt follikelvocht vrij dat
een chemoattarctieve substantie bevat, het resterend follikel vormt dan het corpus luteum welk zal instaan voor de aanmaak van progesterone (nodig
om een zwangerschap in stand te houden)
⩩ Als er een bevruchting is blijft het corpus luteum bestaan, anders zal hij regresseren tot het corpus albicans en littekenweefsel vormen
P a g i n a 4 | 53