Begrippen
● Soorten gesteentevervorming onder spanning:
Wanneer gesteenten onder spanning komen te staan, kunnen ze op drie manieren
vervormen, afhankelijk van diepte, druk (P), temperatuur (T) en tijd:
○ Elastische vorming:
■ Tijdelijk; na het wegnemen van de spanning keert het gesteente
terug naar de oorspronkelijke vorm.
■ Voorbeeld: veerkrachtig gedrag bij lage spanning in de bovenkorst.
○ Brosse vervorming (brittle deformation):
■ Blijvend; het gesteente breekt of scheurt zonder plastische
vormverandering.
■ Komt voor bij: lage P en T, in de bovenkorst (tot ca. 20 km diepte).
■ Voorbeelden: zandsteen, kalksteen, graniet.
■ Uitingen: diaklazen, breuken, breccievorming.
○ Plastische vervorming (ductile deformation)
■ Blijvend; het gesteente plooit of stroomt zonder te breken.
■ Komt voor bij: hoge P en T, in de onderkorst en mantel (> ca. 20 km
diepte).
■ Voorbeelden: evaporieten, kleirijke gesteenten, metamorfe
gesteenten.
■ Uitingen: plooien, foliatie, drukoplossing.
○ Competentie van gesteente speelt een rol:
■ Competent gesteente (bros gedrag): bv. kwartsiet, zandsteen.
■ Incompetent gesteente (plastisch gedrag): bv. klei, steenzout.
● Terminologie breuken en plooien:
○ Breuken (faults) – met verplaatsing:
■ Afschuivingsbreuk (normal fault): bovenblok schuift naar beneden.
■ Opschuivingsbreuk (reverse fault): bovenblok schuift omhoog, steil
(>30°).
■ Overschuivingsbreuk (thrust fault): bovenblok schuift omhoog, vlak
(<30°).
■ Dwarsbreuk (strike-slip fault): horizontale beweging langs een
(meestal) verticaal vlak.
○ Diaklazen (joints) – zonder verplaatsing:
■ Scheuren door rekspanning bij drukontlasting.
■ Vaak loodrecht op gelaagdheid.
○ Plooien (folds) – geometrische begrippen:
■ Anticlinale plooi (anticline): bolle vorm, oudste gesteente in kern
(meestal).
■ Synclinale plooi (syncline): holle vorm, jongste gesteente in kern.
■ Plooias (fold axis): lijn van maximale kromming.
■ Assenvlak (axial plane): vlak door opeenvolgende plooiassen.
■ Flanken (limbs): hellende zijden van de plooi.