Les 0……………………………………………………………………………………………………………………2
Les 1……………………………………………………………………………………………………………………4
Les 2……………………………………………………………………………………………………………………5
Les 3……………………………………………………………………………………………………………………9
Les 4……………………………………………………………………………………………………………………11
Les 5……………………………………………………………………………………………………………………12
Les 6……………………………………………………………………………………………………………………15
Les 7……………………………………………………………………………………………………………………19
Les 8……………………………………………………………………………………………………………………22
Les 9……………………………………………………………………………………………………………………25
Les 10………………………………………………………………………………………………………….………31
Les 11………………………………………………………………………………………………………….………33
Les 12………………………………………………………………………………………………………….………37
Les 13…………………………………………………………………………………………………………….……39
Les 14………………………………………………………………………………………………….………………42
Les 15………………………………………………………………………………………………………………….43
Les 16………………………………………………………………………………………………………………….48
1
,Wiskundige analyse: macro-economische problemen
Les 0 Intro:
Bruto binnenlands product = Huidige dollarwaarde van alle finale goederen en diensten
geproduceerd in een land in a gegeven periode van tijd
-> Maatstaf van welvaart maar niet perfect:
- Marktwaarde reflecteert niet per se de echt waarde
- Activiteiten buiten de markt worden niet meegerekend
- Houdt geen rekening met de verdeling van middelen in de samenleving
Productiebenadering: prijs * hoeveelheid geproduceerd
Inkomensbenadering: Omzet gegenereerd door het produceren van goederen en diensten en
ten goede komt aan de productiefactoren: kapitaal en arbeid
Uitgavensbenadering: De productie dient om te voorzien in de binnenlandse consumptie,
investeringen, overheidsuitgaven en netto export.
Nominale BBP: hoeveelheden van finale goederen vermenigvuldigd met hun prijs. Nominale
BBP kanstijgen door:
- Prijzen die stijgen
- Productie dat stijgt
Reële BBP: Houdt de prijzen gelijk, finale goederen vermenigvuldigd met een constante prijs.
BBP deflator (in jaar T) = is de verhouding van het nominale BBP tot het reële BBP (in jaar t).
(𝑁𝑜𝑚𝑖𝑛𝑎𝑎𝑙 𝐺𝐷𝑃𝑡 )
𝑃𝑡 = (𝑅𝑒𝑎𝑙 𝐺𝐷𝑃𝑡 )
-> Het is een index, zonder economische interpretatie
-> De verandering heeft wel een duidelijke interpretatie: de inflatie 𝜋𝑡
(𝑃𝑡 − 𝑃𝑡−1 )
𝜋𝑡 = 𝑃𝑡−1
-> Nominaal BBP = BBP deflator * reëel BBP
$𝑌𝑡 = 𝑃𝑡 𝑌𝑡
-> Groeivoet nominaal BBP = inflatie + groeivoet reëel BBP
Consumentenprijs inflatie is meer bekend en verschilt van de BBP deflator:
- Niet alle goederen en diensten die geproduceerd worden geconsumeerd door consumenten:
export, investeringen, overheidsconsumptie
- Consumenten consumeren ook buitenlandse toegevoegde waarde (import)
Consumentenprijs index: een levenskost index die maandelijks beschikbaar is
- CPI = prijs van consumptie / BBP deflator
- Europa: HICP staat toe om consumentenprijs index tussen landen te vergelijken
Arbeid input: belangrijk voor hoeveel een economie kan produceren
𝑁 = (ℎ ∗ 𝐸)
Uren gewerkt per capita:
𝑛 = (ℎ ∗ 𝐸) / 𝐿
2
,Beroepsbevolking (labour force): werkenden (employed) + werklozen (unemployed)
𝐿𝐹 = 𝐸 + 𝑈
𝐿𝐹
Participatiegraad: 𝑙𝑓𝑝 =
𝐿
𝑈
Werkloosheidsgraad: 𝑢 = 𝐿𝐹
-> Zegt niet alles over arbeidsmarkt:
- Ontmoedigde werkers die de beroepsbevolking verlaten laten werkloosheid dalen
- Een verschuiving van full-time naar part-time werk toont zich niet in de werkloosheidsgraad
De begin periode van de macro-economie (1936-1968):
- Voor de grote depressie: Smith, Malthus, Say; de markt corrigeert zichzelf
-> Tijdens de grote depressie werd het tegendeel bewezen
- Keynes publiceert “General theory of employment, interest and money” in 1936
-> De markt leidt niet altijd tot volledige werkgelegenheid en de overheid moet soms ingrijpen.
- Philips-curve: trade-off tussen werkloosheid en inflatie
- 1968 -1981: De oude Keynesiaanse modellen vallen in elkaar wegens gebrek aan micro-
economische fundamenten. Ze houden weinig rekening met de individuele beslissingen van
gezinnen en ondernemingen.
- Hierdoor werden ze ongeschikt om te gebruiken voor beleidsevaluatie.
- vb: In de jaren ’70 tijdens de oliecrisis ging zowel de inflatie als de werkloosheid naar
omhoog.
- 1982 – heden: Real business cycle (RBC), Kydland en Prescott stelden dat economische
schommelingen vooral komen door technologische schokken en rationele beslissingen van
mensen, niet door falende markten.
3
, Les 1: Facts on growth
Rule of 70: Het aantal jaar dat het duurt om een variabele te verdubbelen is ongeveer gelijk aan
70 gedeeld door de groeivoet.
Groei:
- Productiviteitsgroei
- Meer input gebruikt voor een gegeven productiviteitsniveau
Productiefactoren:
- Kapitaal: Wat we produceren, niet om te consumeren, maar gebruiken om andere zaken te
produceren
- Arbeid: Het aantal tijd dat we spenderen aan werken
Kaldor facts of growth:
1. Output per werker groeit aan een ongeveer constant tempo over lange periodes van tijd
2. Kapitaal per werker groeit aan een ongeveer constant tempo over lange periodes van tijd
3. De kapitaal tot output ratio is constant over lange periodes van tijd
4. Het aandeel van arbeid in het inkomen is constant over lange periodes van tijd
-> Laatste jaren zien we wel een lichte daling in arbeidsaandeel in een aantal landen
5. Het rendement op het geïnvesteerde kapitaal is constant over lange periodes van tijd
6. Het reële loon groeit aan ongeveer hetzelfde tempo als de output per werker
𝑤𝑡 𝑁𝑡
Labour share: 𝐿𝐴𝐵𝑆𝐻𝑡 = 𝑌𝑡
𝑅𝑡 𝐾𝑡
Return on capital: 𝐶𝐴𝑃𝑆𝐻𝑡 = 1 − 𝐿𝐴𝐵𝑆𝐻𝑡 =
𝑌𝑡
Cross country growth facts:
1. Grote verschillen in inkomen per hoofd van de bevolking (rijke en arme landen)
2. Groeimirakels: Landen die over een relatief korte periode (enkele decennia) een extreem
snelle economische groei doormaken
Groeirampen: Landen waar de economische groei decennialang stilstaat of zelfs krimpt
3. Menselijk kapitaal (= vaardigheden en kennis) en inkomen zijn sterk gecorreleerd
4