Deel I: Ontstaan van het handelskapitalisme, ca. 1450 – ca. 1750
Hoofdstuk 1
Inleiding (750-950):
Karel de Grote heeft bijna heel West-Europa in zijn bezit.
Zijderoute = containerbegrip: verzameling van verschillende routes
- Leveranciers: China en India
Nijverheid: Industrie zonder machines
Peasant economy = agrarische overlevingseconomie, algemene armoede, vooral ruilhandel
-> uitzonderingen in West-Europa: Italië en Iberisch Schiereiland
800: Politieke eenmaking van West-Europa door Karel de Grote gekroond tot keizer door de
paus.
Middeleeuwse staatsopvatting: Vazal legt eed van trouw af aan de koning en verplicht zich tot
bijstand, in ruil krijgt hij bescherming van de koning.
Karel de Grote verplicht iedereen die een goed (=feodum) van hem leent, om hem trouw te
zweren = Feodaliteit of leenstelsel
Feodale piramide: de graven en hertogen begonnen na verloop van tijd ook hun land uit te
lenen.
De bevolking is opgedeeld in 3 ongelijke “standen”:
- geestelijkheid/clerus
- professionele ruiterij = grootgrondbezitters (houden zich hele dag met krijgskunst bezig)
- zij die handarbeid verrichten, voornamelijk de landbouwers
Meeste boeren in de vruchtbare gebieden zijn horigen/lijfeigenen:
- Grootgrondbezitter heeft bijna alle land in handen maar geeft een deel aan lijfeigenen.
- Lijfeigenen moeten verplicht in ruil een deel van hun oogst afstaan en/of gratis de gronden
van de lokale heer bewerken
- Lijfeigenen zijn aan de grond gebonden en zijn onderworpen aan de rechtspraak van de lokale
heer
In perifere zones zijn er meer vrije boerenExpansie van de landbouw:
- Overgang van tweeslagstelsel naar drieslagstelsel, wintergraan -> zomergraan -> braak
- Houten karrenploeg
1
, Middeleeuwen: ploegt dieper, de grond wordt
omgewoeld tijdens het ploegproces
-> betere oogst
Romeinse tijd
Agrarische groei creëert koopkracht bij de grootgrondbezitters en bij de nabijheid van Aken.
Aken = “hoofdstad” van het Karolingische rijk, markten en regionale handel worden op gang
getrokken in Noordwest-Europa
De Friezen drijven handel met Engeland, Scandinavië, Noord-Frankrijk en de valleien van Maas
en Rijn: wol, leder, aardewerk (voor kruiken), pelsen, zout, honing, wapens,…
Karolingische groei zwakt af (9de-10de eeuw) door oorlogsgeweld: “Ijzeren eeuwen”
- Binnenlands: dynastieke twisten laten het centraal gezag van de Karolingen instorten
- Buitenlands: invallen van Vikingen (Noorden), Saracenen (Zuiden) en Magyaren (Oosten)
-> lokale heren maken van de verwarring gebruik om het wereldlijk gezag naar zicht toe te
trekken: hun leen wordt erfelijk
-> beschadigt de handel van de Friezen
Positieve elementen:
-> Plunderingen van kerken en kloosters brengt edelmetalen opnieuw in economisch circuit
-> Grote onveiligheid doet kloosters gedetailleerde inventarissen opstellen van hun
bezittingen = introductie van schriftelijke bewijsvoering bij betwistingen
De lang opgaande fase (950-1300):
Vanaf einde 10de eeuw neemt het oorlogsgeweld in Europa geleidelijk af:
Externe factoren:
- Invallers vestigen zich in Europa en worden sedentair:
- Arabieren voeren onderling strijd
- Stabilisatie van Slavische volkeren in Oost-Europa zijn een buffer voor West-Europa
- Kruistochten vanaf 1096 tot midden 13de eeuw
Interne factoren:
- Herstel van regionale politieke gezagsstructuren
- Kerk vult het politieke machtsvacuüm op een hoger bestuursniveau op:
-> voert godsvrede in: Christenen die elkaar bevechten worden geëxcommuniceerd (ze
kunnen niet meer hun communie doen en worden dus uit de religie gezet)
- Rond het jaar 1000 geloven de meeste dat de wereld zal vergaan en dat ze zich goed moeten
gedragen om in de hemel te geraken
-> tussen de 11de en 12de eeuw werd de kerk geïnspireerd door de herontdekking van het
Romeins recht, ze werken het canoniek recht uit met geschreven wetteksten
Het bestuur van de kerk wordt gemoderniseerd en gecentraliseerd = model voor wereldlijk gezag
= prille begin van territoriale staat
2