Bo Van Esser
Technologie
H1: Inleiding in de medische beeldvorming
Continue kwaliteitsverbetering (CQI):
➔ CQI (Continuous Quality Improvement): overkoepelend ziekenhuisconcept
- Doel:
• kwaliteit van zorg continu optimaliseren
• fouten systematisch voorkomen en corrigeren
- Binnen medische beeldvorming wordt CQI concreet uitgewerkt via:
• QA (Quality Assurance)
• QC (Quality Control)
Quality Assurance (QA):
➔ QA = organisatorisch en systematisch kader om kwaliteitsvolle zorg te garanderen
- Omvat:
• werken volgens vastgelegde standaarden
• continue bijscholing van personeel
• uitvoeren van kwaliteitscontroles
• rapporteren en bijsturen op basis van resultaten
- Gericht op het gehele zorgproces, niet enkel het toestel
Quality Control (QC):
➔ QC = onderdeel van QA, focust op technische aspecten
- Gericht op:
• beeldkwaliteit
• stralingsdosis (indien van toepassing; niet bij echo en MRI)
• toestelperformantie
- Bestaat uit:
• gestandaardiseerde testen
• opvolgen of resultaten binnen tolerantielimieten blijven
- Vereist technisch inzicht in de werking van radiologische toestellen
Doel van CQI – QA – QC (drieluik):
- Beeldkwaliteit verzekeren om:
• diagnostische zekerheid te verhogen
• negatieve effecten (straling, kosten, heropnames) te beperken
1
,Bo Van Esser
- Afweging tussen:
• beeldkwaliteit
• patiënt- en personeelsdosis
• kostenefficiëntie
- ALARA-principe speelt steeds een rol:
• stralingsdosis zo laag als redelijkerwijs haalbaar
• zonder diagnostische kwaliteit te ondermijnen
De kwaliteit wordt bepaald door de afweging tussen instelparameters en de beeldindicator. Een
beeld is "goed" wanneer het binnen de specifieke tolerantielimieten of aanvaardbaarheidscriteria
valt die passen bij de klinische context
Instelparameters
Instelparameters = de technische instellingen die worden gekozen op het toestel of werkstation
voordat de radioloog het beeld beoordeelt.
➔ Bv. Zoals het aanpassen van een radiofrequentie (ander kanaal = ander resultaat) of een
Instagram-filter (accentueert specifieke eigenschappen)
Type parameter Fase Definitie
Acquisitie Aan de bron (toetsel) Het aanpassen van fysische
eigenschappen of specifieke
onderdelen van het toestel zelf
om het beeld te maken.
Reconstructie Direct na opname De eerste digitale verwerking:
zet ruwe data om naar
bruikbare, visueel
beoordeelbare image-based
data.
Verwerking Na reconstructie Een tweede laag bewerkingen,
vaak uitgevoerd op een
werkstation om de
diagnostische waarde te
optimaliseren.
Viewing-settings Bij beoordeling De instellingen waarmee het
beeld uiteindelijk op het
scherm wordt getoond aan de
arts.
Beeldindicator
Beeldindicator = de maatstaf die bepaalt of een opname voldoet aan de eisen om visuele detectie
(en dus een diagnose) te garanderen.
2
,Bo Van Esser
De 4 pijlers van kwaliteit:
Hoewel er veel technische parameters zijn (zoals DQE of temporele resolutie), wordt kwaliteit
hoofdzakelijk beschreven via:
1) Spatiale resolutie (scherpte/detail)
2) Contrast (verschil tussen structuren)
3) Ruis (korreligheid/storing)
4) Artefacten (ongewenste afwijkingen in het beeld)
Om fouten te minimaliseren en de prestaties van toestellen te bewaken, wordt er gewerkt met een
strikte structuur:
- Standardized testing: Er worden regelmatig testen uitgevoerd om de toestelperformantie te
monitoren.
- Tolerantielimieten: Een beeld is niet simpelweg "goed" of
"slecht", maar valt binnen of buiten een zone. Deze zone
is contextafhankelijk (bijv. per ziekenhuis of per specifiek
onderzoek).
- Inzicht als vereiste: Als technoloog heb je diepgaand inzicht nodig in de werking van het
toestel. Alleen zo kun je een fout analyseren: ligt het aan de instellingen
(acquisitieparameters) of aan het toestel zelf?
Instelparameters: De input (wat jij instelt) ➔ kV, mAs, filters, reconstructie-algoritmen
Beeldindicator: De output (het resultaat) ➔ resolutie, contrast, ruis, aanwezigheid van artefacten
EXTRA
Om de beeldkwaliteit objectief te bewaken, wordt gebruikgemaakt van de standaarden van
het AAPM (American Association of Physicists in Medicine). Deze richtlijnen vormen de basis voor
kwaliteitscontrole (QC) in de digitale radiografie.
Belangrijke aspecten:
Kwalitatieve vs. kwantitatieve criteria: De beeldkwaliteit wordt zowel op het oog (kwalitatief) als
met meetbare cijfers (kwantitatief) beoordeeld.
De ± waarde (afwijking): Een tolerantielimiet is een toegestane marge. Overschrijd je deze marge,
dan heeft dat direct consequenties voor de bruikbaarheid van het beeld of de veiligheid.
Praktijkvoorbeelden van de 2%-regel:
Collimatie: Het bestraalde veld mag niet meer dan ± 2% afwijken van het ingestelde veld.
Focus-Receptor-Afstand (FRA): Ook hier geldt een strikte limiet van ± 2% afwijking tussen de
werkelijke afstand en de ingestelde waarde.
3
, Bo Van Esser
VOORBEELD
Waarom beelden en limieten verschillen:
Patiëntkenmerken (A): Een kind heeft een andere anatomische samenstelling dan een volwassene.
Wat voor een volwassene een kwalitatief beeld is, kan voor een kind ontoereikend of onveilig zijn.
Parameterkeuze (B): Voor kinderen worden andere instellingen gebruikt (bijv. lagere dosis, andere
filtering). Hierdoor verschuiven ook de aanvaardbaarheidscriteria.
Technische staat (C): Een defect of verouderd toestel beïnvloedt de uitkomst, ongeacht de patiënt.
1.2 Verschillende processen en fouten in digitale beeldvorming
Voorbereiding & QA (Stap 3-7)
Nog voordat er een foto wordt gemaakt, vinden er Quality Assurance (QA) activiteiten plaats:
- Administratieve check: Klopt de aanvraag in het RIS? Is het de juiste patiënt, de juiste zijde
(links/rechts) en de juiste modaliteit (bijv. CT vs. MRI)?
- Patiëntinteractie: Uitleg geven en contra-indicaties checken (zwangerschap, allergieën,
metalen implantaten). Dit is vaak een checklist die fungeert als QC-methode.
De opname & techniek (Stap 8-10)
Hier draait het om de ALARA-filosofie (As Low As Reasonably Achievable):
- Instellingen: Vóór de opname controleer je de acquisitieparameters. Te veel straling is
schadelijk; te weinig straling zorgt voor onbruikbare, ruisvolle beelden.
- Toestelstatus: Is het toestel correct gekalibreerd?
Beoordeling & Nabewerking (Stap 11-14)
Nadat het beeld is gemaakt, voert de technoloog zelf een kwaliteitscontrole uit:
- Positiebepaling: Is de anatomie goed afgebeeld of is een re-take (opnieuw maken) nodig?
- Werkstation: Op gespecialiseerde monitoren (geen gewone laptops!) wordt het beeld
geoptimaliseerd. Subtiele fouten worden hier gecorrigeerd om een heropname te
voorkomen.
- Monitor-kwaliteit: Schermen moeten aan strikte tolerantielimieten voldoen voor een
betrouwbare weergave.
Archivering (Stap 15)
De laatste stap is het verzenden naar het PACS (Picture Archiving and Communication System).
- Data-integriteit: Er wordt gecontroleerd of alle beelden succesvol zijn overgekomen.
Ontbrekende beelden leiden tot een onvolledige diagnose door de radioloog.
4
Technologie
H1: Inleiding in de medische beeldvorming
Continue kwaliteitsverbetering (CQI):
➔ CQI (Continuous Quality Improvement): overkoepelend ziekenhuisconcept
- Doel:
• kwaliteit van zorg continu optimaliseren
• fouten systematisch voorkomen en corrigeren
- Binnen medische beeldvorming wordt CQI concreet uitgewerkt via:
• QA (Quality Assurance)
• QC (Quality Control)
Quality Assurance (QA):
➔ QA = organisatorisch en systematisch kader om kwaliteitsvolle zorg te garanderen
- Omvat:
• werken volgens vastgelegde standaarden
• continue bijscholing van personeel
• uitvoeren van kwaliteitscontroles
• rapporteren en bijsturen op basis van resultaten
- Gericht op het gehele zorgproces, niet enkel het toestel
Quality Control (QC):
➔ QC = onderdeel van QA, focust op technische aspecten
- Gericht op:
• beeldkwaliteit
• stralingsdosis (indien van toepassing; niet bij echo en MRI)
• toestelperformantie
- Bestaat uit:
• gestandaardiseerde testen
• opvolgen of resultaten binnen tolerantielimieten blijven
- Vereist technisch inzicht in de werking van radiologische toestellen
Doel van CQI – QA – QC (drieluik):
- Beeldkwaliteit verzekeren om:
• diagnostische zekerheid te verhogen
• negatieve effecten (straling, kosten, heropnames) te beperken
1
,Bo Van Esser
- Afweging tussen:
• beeldkwaliteit
• patiënt- en personeelsdosis
• kostenefficiëntie
- ALARA-principe speelt steeds een rol:
• stralingsdosis zo laag als redelijkerwijs haalbaar
• zonder diagnostische kwaliteit te ondermijnen
De kwaliteit wordt bepaald door de afweging tussen instelparameters en de beeldindicator. Een
beeld is "goed" wanneer het binnen de specifieke tolerantielimieten of aanvaardbaarheidscriteria
valt die passen bij de klinische context
Instelparameters
Instelparameters = de technische instellingen die worden gekozen op het toestel of werkstation
voordat de radioloog het beeld beoordeelt.
➔ Bv. Zoals het aanpassen van een radiofrequentie (ander kanaal = ander resultaat) of een
Instagram-filter (accentueert specifieke eigenschappen)
Type parameter Fase Definitie
Acquisitie Aan de bron (toetsel) Het aanpassen van fysische
eigenschappen of specifieke
onderdelen van het toestel zelf
om het beeld te maken.
Reconstructie Direct na opname De eerste digitale verwerking:
zet ruwe data om naar
bruikbare, visueel
beoordeelbare image-based
data.
Verwerking Na reconstructie Een tweede laag bewerkingen,
vaak uitgevoerd op een
werkstation om de
diagnostische waarde te
optimaliseren.
Viewing-settings Bij beoordeling De instellingen waarmee het
beeld uiteindelijk op het
scherm wordt getoond aan de
arts.
Beeldindicator
Beeldindicator = de maatstaf die bepaalt of een opname voldoet aan de eisen om visuele detectie
(en dus een diagnose) te garanderen.
2
,Bo Van Esser
De 4 pijlers van kwaliteit:
Hoewel er veel technische parameters zijn (zoals DQE of temporele resolutie), wordt kwaliteit
hoofdzakelijk beschreven via:
1) Spatiale resolutie (scherpte/detail)
2) Contrast (verschil tussen structuren)
3) Ruis (korreligheid/storing)
4) Artefacten (ongewenste afwijkingen in het beeld)
Om fouten te minimaliseren en de prestaties van toestellen te bewaken, wordt er gewerkt met een
strikte structuur:
- Standardized testing: Er worden regelmatig testen uitgevoerd om de toestelperformantie te
monitoren.
- Tolerantielimieten: Een beeld is niet simpelweg "goed" of
"slecht", maar valt binnen of buiten een zone. Deze zone
is contextafhankelijk (bijv. per ziekenhuis of per specifiek
onderzoek).
- Inzicht als vereiste: Als technoloog heb je diepgaand inzicht nodig in de werking van het
toestel. Alleen zo kun je een fout analyseren: ligt het aan de instellingen
(acquisitieparameters) of aan het toestel zelf?
Instelparameters: De input (wat jij instelt) ➔ kV, mAs, filters, reconstructie-algoritmen
Beeldindicator: De output (het resultaat) ➔ resolutie, contrast, ruis, aanwezigheid van artefacten
EXTRA
Om de beeldkwaliteit objectief te bewaken, wordt gebruikgemaakt van de standaarden van
het AAPM (American Association of Physicists in Medicine). Deze richtlijnen vormen de basis voor
kwaliteitscontrole (QC) in de digitale radiografie.
Belangrijke aspecten:
Kwalitatieve vs. kwantitatieve criteria: De beeldkwaliteit wordt zowel op het oog (kwalitatief) als
met meetbare cijfers (kwantitatief) beoordeeld.
De ± waarde (afwijking): Een tolerantielimiet is een toegestane marge. Overschrijd je deze marge,
dan heeft dat direct consequenties voor de bruikbaarheid van het beeld of de veiligheid.
Praktijkvoorbeelden van de 2%-regel:
Collimatie: Het bestraalde veld mag niet meer dan ± 2% afwijken van het ingestelde veld.
Focus-Receptor-Afstand (FRA): Ook hier geldt een strikte limiet van ± 2% afwijking tussen de
werkelijke afstand en de ingestelde waarde.
3
, Bo Van Esser
VOORBEELD
Waarom beelden en limieten verschillen:
Patiëntkenmerken (A): Een kind heeft een andere anatomische samenstelling dan een volwassene.
Wat voor een volwassene een kwalitatief beeld is, kan voor een kind ontoereikend of onveilig zijn.
Parameterkeuze (B): Voor kinderen worden andere instellingen gebruikt (bijv. lagere dosis, andere
filtering). Hierdoor verschuiven ook de aanvaardbaarheidscriteria.
Technische staat (C): Een defect of verouderd toestel beïnvloedt de uitkomst, ongeacht de patiënt.
1.2 Verschillende processen en fouten in digitale beeldvorming
Voorbereiding & QA (Stap 3-7)
Nog voordat er een foto wordt gemaakt, vinden er Quality Assurance (QA) activiteiten plaats:
- Administratieve check: Klopt de aanvraag in het RIS? Is het de juiste patiënt, de juiste zijde
(links/rechts) en de juiste modaliteit (bijv. CT vs. MRI)?
- Patiëntinteractie: Uitleg geven en contra-indicaties checken (zwangerschap, allergieën,
metalen implantaten). Dit is vaak een checklist die fungeert als QC-methode.
De opname & techniek (Stap 8-10)
Hier draait het om de ALARA-filosofie (As Low As Reasonably Achievable):
- Instellingen: Vóór de opname controleer je de acquisitieparameters. Te veel straling is
schadelijk; te weinig straling zorgt voor onbruikbare, ruisvolle beelden.
- Toestelstatus: Is het toestel correct gekalibreerd?
Beoordeling & Nabewerking (Stap 11-14)
Nadat het beeld is gemaakt, voert de technoloog zelf een kwaliteitscontrole uit:
- Positiebepaling: Is de anatomie goed afgebeeld of is een re-take (opnieuw maken) nodig?
- Werkstation: Op gespecialiseerde monitoren (geen gewone laptops!) wordt het beeld
geoptimaliseerd. Subtiele fouten worden hier gecorrigeerd om een heropname te
voorkomen.
- Monitor-kwaliteit: Schermen moeten aan strikte tolerantielimieten voldoen voor een
betrouwbare weergave.
Archivering (Stap 15)
De laatste stap is het verzenden naar het PACS (Picture Archiving and Communication System).
- Data-integriteit: Er wordt gecontroleerd of alle beelden succesvol zijn overgekomen.
Ontbrekende beelden leiden tot een onvolledige diagnose door de radioloog.
4