FASHION: GLOBAL HISTORIES
Docent: Prof. Dr. Maude Bass-Krueger
Bronnen: Lecture slides + Reader Class 1.1 (Gale & Kaur) + Class 1.2 (Schoeser)
+ Class 5.3 (Gordon)
1.1. CLASS INTRODUCTION
Zie klasnotities voor praktische informatie over lessen, readings en
evaluatie.
Vragen over inhoud: Prof. Bass-Krueger
Vragen over administratie: Drs. Dries Debackere
1.2. WHY TEXTILES?
Textiles behoren tot de meest fundamentele menselijke uitvindingen – ouder dan
metaalbewerking – en vormen het kruispunt van materiële, sociale en spirituele
dimensies.
Vervullen essentiële menselijke noden: bescherming, warmte,
identiteit.
Universeel medium, aanwezig in alle culturen.
Tweede grootste industrie ter wereld, na olie.
o Beide verbonden: synthetische vezels = afkomstig uit fossiele olie.
Reflecteren status, macht, identiteit.
Taal verweeft textielmetaforen: “social fabric”, “moral fibre”, “life hangs
by a thread”.
Centrale thema’s: Power – Gender – Politics – Memory
Aanvulling (reader Class 1.1 p. 7–8):
Textiel is volgens Gale & Kaur een universele culturele kracht: het beïnvloedde
beschaving, religie en samenleving lang vóór de schriftelijke geschiedenis. De
verspreiding van textielvaardigheden was essentieel voor menselijke
communicatie – het was zowel gebruiksvoorwerp als ruilmiddel en cultureel
symbool.
1.2.1. TEXTILES AND GENDER
Textiel = traditioneel vrouwelijk domein.
Academisch en artistiek vaak ondergewaardeerd tegenover “fine arts”.
Historisch gegroeid uit sociale rolverdeling:
o vrouwen produceerden textiel thuis,
1
, o konden dit combineren met kinderen,
o meisjes leerden naaien, kantklossen, weven.
Hiërarchie: fine arts → mannelijk, decorative arts → vrouwelijk.
Aanvulling (reader Class 1.1 p. 7–9):
Gale & Kaur leggen uit dat de associatie tussen vrouwen en textiel niet biologisch
maar sociaal geconstrueerd is. In aristocratische milieus werd borduren
gepresenteerd als “ladylike virtue”, een morele en esthetische deugd.
Koninginnen en prinsessen van Engeland werden geprezen als ‘indefatigable
needlewomen’, symbool van vrouwelijke ijver en beschaafdheid.
Aanvulling (reader p. 8–9):
Feministische theoretici zoals Rozsika Parker en Griselda Pollock (1981)
analyseerden hoe het onderschatten van textiel een gevolg is van patriarchale
kunsthiërarchieën: “vrouwelijke” eigenschappen zoals nauwkeurigheid en zorg
werden cultureel gedevalueerd.
1.2.2. TEXTILES AND SPIRIT
Textiel = expressie van identiteit, spiritualiteit en collectieve herinnering.
Verbindt mensen met hun voorouders en culturele verleden.
Het maken ervan bevordert mindfulness en focus.
Aanvulling (reader Class 1.1 p. 10–11):
Gale & Kaur spreken van de “inner spirit of cloth”: het ritmische proces van
naaien of weven roept een meditatieve stilte op. Colette’s verhaal The
Sempstress beschrijft hoe handwerk tot contemplatie leidt. Toch was diezelfde
arbeid voor velen – zoals de vrouwen in de Shanghai katoenfabrieken (1916) –
een vorm van uitbuiting en lijden in plaats van zelfexpressie (reader p. 11).
1.2.3. TEXTILES AND THE ECONOMY
Textiel = motor van het kapitalisme en de industriële revolutie.
Karl Marx gebruikte de textielindustrie als model voor klasse-analyse.
Eerste vrouwenstakingen vonden plaats in couturehuizen.
Kinderarbeid was wijdverspreid; industrie vormde de “wiegedoos” van het
kapitalisme.
Aanvulling (reader Class 1.1 p. 12–15):
Volgens Gale & Kaur was de middeleeuwse wolhandel de basis voor modern
kapitalisme. Engeland bouwde met de wolindustrie de eerste bank- en
belastingstructuren. Katoen nam in de 18e eeuw de leiding over als grondstof
voor de ‘moderne industrie’. De textielarbeid veranderde zo onze sociale
structuren, economie en wereldhandel.
Aanvulling (reader p. 14–15):
De Russische en Chinese katoenindustrie lagen aan de basis van revolutionaire
bewegingen – van de Russische Revolutie (1917) tot de Chinese revoluties in de
jaren 1930 (Fong 1932). Textielarbeiders vormden de ruggengraat van
maatschappelijke verandering.
1.3. WHY TEXTILES FOR YOU?
2
,1.3.1. TEXTILES AND ART HISTORY
Schilderijen tonen bijna altijd kleding of stoffen.
Textielgebruik en kleur bieden symbolische betekenissen in kunst.
Jan van Eyck’s Lam Gods toont de technische en sociale waarde van
weefsels.
1.3.2. TEXTILES AND MUSICOLOGY
Textiel kan muzikale performativiteit beïnvloeden.
Handelsroutes verspreidden zowel stoffen als muzikale ideeën.
Javanese Gamelan: kleding met rituele betekenis, onderdeel van muzikale
uitvoering.
1.3.3. TEXTILES AND THEATRE/DANCE
Kostuums ondersteunen representatie van karakters en beweging.
Textiel heeft artistieke en dramaturgische functie.
1.4. LINEN
WHAT IS LINEN?
Linen wordt gemaakt van de vlasplant (Linum usitatissimum).
Het is een bastvezel, net als hennep, jute en ramie: de vezels komen uit
de binnenste laag van de stengel, net onder de schil.
Kenmerken van de vlasplant:
o Eenjarige plant
o Groeit tot ongeveer 1 meter hoog
o Heeft blauwe bloemen
o Elke bloem produceert ongeveer 10 zaden (lijnzaad)
Belangrijk: het textiel linen ≠ het zaad (linseed), maar beide komen van
dezelfde plant
1.4.1. ORIGINS AND USES
Oudste textielsoort: fragmenten tot 30 000 v.Chr.
Tar-Khan dress (3400 v.Chr.) = oudste bewaarde kledingstuk.
Gebruik: kleding, zeilen, touwen, mummies.
Oorsprong: Aziatische hooglanden → Midden-Oosten → Egypte.
Vroege sporen in België (5000–3000 v.Chr.).
1.4.2. PROCESS: FROM FLAX TO LINEN (EGYPT)
Het maken van linnen uit vlas was een buitengewoon arbeidsintensief proces,
dat in de basisvorm al meer dan 5000 jaar oud is. De kwaliteit van het
eindproduct hing af van precisie, klimaat en timing. Hieronder de volledige
stappen:
3
, 1. ZAAIEN (SOWING)
Vlas (LINUM USITATISSIMUM) werd in Egypte gezaaid in november, direct
na de Nijl-overstroming.
De zaden werden dicht op elkaar geplant zodat de planten lang en recht
groeiden; lange vezels gaven beter linnen.
Na ongeveer 40 dagen waren de planten volwassen.
Het warme, vochtige klimaat van de Nijldelta was ideaal.
2. OOGSTEN (PULLING / HARVESTING)
De planten werden met wortel en al uit de grond getrokken, niet
afgesneden, zodat de vezels over de volledige lengte intact bleven.
De tijd van oogsten bepaalde de kwaliteit:
o Eerste trek (vlak na de bloei): fijnste, zachtste vezel (adelkleding).
o Tweede trek (na 30 dagen): sterkere vezel (voor touwen of grove
stoffen).
o Derde trek (volledig rijp): grovere vezel en zaden (voor
lijnzaadolie).
Na het trekken werden de stengels in bundels samengebonden en in de
zon gedroogd.
3. RIPPLING (ZADEN VERWIJDEREN)
Na het drogen werden de zaadbolletjes verwijderd met een houten kam
of ijzeren tandkam.
De zaden konden opnieuw worden gezaaid of geperst tot lijnzaadolie,
gebruikt voor o.a. verf, linoleum en olielampen.
4. RETTING (ROTEN)
De houtige bastlaag moest loskomen van de binnenste vezels. Dit
gebeurde door rotting (biologische afbraak).
De stengels werden 10 tot 14 dagen ondergedompeld in langzaam
stromend water, waarna bacteriën de pectine oplosten.
Alternatieven:
o Waterretting: in rivieren of bassins – leverde de witste, soepelste
vezel.
o Dauwretting: op grasvelden met dauw en schimmels – gaf grijzer
linnen.
o Natuurlijke retting: combinatie van zon, regen en vocht.
In Egypte gebeurde dit vaak binnenshuis of in vochtige kamers om de
vochtigheid te controleren.
De stengels werden vervolgens gedroogd in de zon.
5. BREAKING & SCUTCHING (BREKEN EN ZWINGELEN)
Na het drogen werden de harde houtdelen verwijderd.
4