PARASITOLOGIE: PARASITAIRE
ZIEKTES EN ZOÖNOSEN
INLEIDING & HISTORIEK
Microben (bacteriën, fungi, protozoa) vallen onder de parasitologie. Al in de Egyptische
cultuur (papyrus Ebers) werden parasitaire infecties beschreven: het stokje met slang
stelt een worm voor die uit een huidlesie getrokken werd. In mummies
werden schistosomaparasieten teruggevonden; mensen deden deze op door pootje te
baden in de Nijl, waar een slak de parasiet secreteert.
GLOBAL HEALTH SITUATION
Parasitaire infecties komen vooral voor in tropische en subtropische
ontwikkelingslanden (78% vs. 22% in ontwikkelde landen). De levensverwachting in
sub-Sahara Afrika is lager dan 50 jaar, tegenover 80 jaar in West-Europa, Canada en
Australië. Dit heeft te maken met slechte sanitatie, gebrek aan voorzieningen en
ziektebeheersing, ondervoeding (met direct effect op de werking van het
immuunsysteem), en inadequate gezondheidseducatie. Educatie is een cruciale
parameter: weten dat je beter niet pootje baadt in de Nijl is bijvoorbeeld al beschermend.
Regionale en etnische verschillen spelen een rol: een moslim raakt nooit geïnfecteerd
met de varkenslintworm. Geofagie(grond eten bij ijzertekort) bij ondervoeide
bevolkingen kan leiden tot nematode-infecties. Klimatologische veranderingen zorgen
voor opkomst van tropische muggensoorten in Europa en verhoogd risico op arbovirus-
overdracht. Immunologische condities zoals co-infectie met HIV verhogen het risico op
parasitaire infecties en maken behandeling moeilijker (frequent relaps, constante
behandeling vereist).
Op examen: hoe men op gemeenschapsniveau een ziekte tracht in te dijken = kijken
naar levenscyclus, transmissie, diagnose, behandeling en bescherming van de patiënt.
Belangrijke ziekten (verdeling op heatmap):
Afrikaanse trypanosomiase (slaapziekte): vectorovergedragen door
de tseetseevlieg, sub-Sahara Afrika.
, Leishmania: overgedragen door zandvliegen; slechts 1 op 50 mensen vertoont
symptomen → wordt onderschat.
Chagas: Latijns Amerika, overgedragen door roofwantsen.
Amoebiase: veroorzaakt door amoeben (enkelcellige eukaryoten); dodelijke
ziekte ondanks kleine grootte van de parasiet.
Intestinale wormen: komen vnl. voor in het GI-systeem; kunnen obstructie
veroorzaken of migreren naar andere weefsels.
DEFINITIES
Definitieve gastheer: gastheer waarin de adulte stadia voorkomen en seksuele
reproductie plaatsvindt (bv. mens bij lintworm).
Intermediaire gastheer: gastheer waarin een larvaal stadium met
ontwikkeling voorkomt (bv. rund/varken bij lintworm).
Paratene gastheer: gastheer met larvaal stadium zonder ontwikkeling;
parasiet accumuleert er (bv. karper als roofvis die kleine vissen met parasiet
opeet).
Vector: gastheer met actieve rol in transmissie: biologisch (parasiet maakt
volledige ontwikkeling door, bv. tseetseevlieg) of mechanisch (bv. paardenvlieg
die bijt en parasiet overdraagt).
Prepatente fase: periode tussen infectie en infectieus worden (bv. bij
hoofdluis: tweede behandeling moet binnen prepatente fase gebeuren, anders
overleven eitjes).
Patente fase: periode van infectiviteit voor de omgeving (eitjes/larven in
stoelgang).
Endoparasiet: leeft in het lichaam (bv. malaria).
Ectoparasiet: leeft op de gastheer (bv. luis); symbiose waarbij ene afhankelijk is
van de andere en er schade is.
Mesoparasiet: leeft in externe caviteiten (mondholte, neusholte, urogenitaal),
bv. TRICHOMONAS VAGINALIS; bevindt zich nooit in de bloedbaan.
Reservoir: normaal biotoop van de parasiet; gastheer waarvan andere
gastheren geïnfecteerd kunnen worden.
Zoonose: overdracht van parasiet van dier naar mens; risico neemt toe
naarmate mensen dichter bij wilde dieren leven.
ZIEKTES EN ZOÖNOSEN
INLEIDING & HISTORIEK
Microben (bacteriën, fungi, protozoa) vallen onder de parasitologie. Al in de Egyptische
cultuur (papyrus Ebers) werden parasitaire infecties beschreven: het stokje met slang
stelt een worm voor die uit een huidlesie getrokken werd. In mummies
werden schistosomaparasieten teruggevonden; mensen deden deze op door pootje te
baden in de Nijl, waar een slak de parasiet secreteert.
GLOBAL HEALTH SITUATION
Parasitaire infecties komen vooral voor in tropische en subtropische
ontwikkelingslanden (78% vs. 22% in ontwikkelde landen). De levensverwachting in
sub-Sahara Afrika is lager dan 50 jaar, tegenover 80 jaar in West-Europa, Canada en
Australië. Dit heeft te maken met slechte sanitatie, gebrek aan voorzieningen en
ziektebeheersing, ondervoeding (met direct effect op de werking van het
immuunsysteem), en inadequate gezondheidseducatie. Educatie is een cruciale
parameter: weten dat je beter niet pootje baadt in de Nijl is bijvoorbeeld al beschermend.
Regionale en etnische verschillen spelen een rol: een moslim raakt nooit geïnfecteerd
met de varkenslintworm. Geofagie(grond eten bij ijzertekort) bij ondervoeide
bevolkingen kan leiden tot nematode-infecties. Klimatologische veranderingen zorgen
voor opkomst van tropische muggensoorten in Europa en verhoogd risico op arbovirus-
overdracht. Immunologische condities zoals co-infectie met HIV verhogen het risico op
parasitaire infecties en maken behandeling moeilijker (frequent relaps, constante
behandeling vereist).
Op examen: hoe men op gemeenschapsniveau een ziekte tracht in te dijken = kijken
naar levenscyclus, transmissie, diagnose, behandeling en bescherming van de patiënt.
Belangrijke ziekten (verdeling op heatmap):
Afrikaanse trypanosomiase (slaapziekte): vectorovergedragen door
de tseetseevlieg, sub-Sahara Afrika.
, Leishmania: overgedragen door zandvliegen; slechts 1 op 50 mensen vertoont
symptomen → wordt onderschat.
Chagas: Latijns Amerika, overgedragen door roofwantsen.
Amoebiase: veroorzaakt door amoeben (enkelcellige eukaryoten); dodelijke
ziekte ondanks kleine grootte van de parasiet.
Intestinale wormen: komen vnl. voor in het GI-systeem; kunnen obstructie
veroorzaken of migreren naar andere weefsels.
DEFINITIES
Definitieve gastheer: gastheer waarin de adulte stadia voorkomen en seksuele
reproductie plaatsvindt (bv. mens bij lintworm).
Intermediaire gastheer: gastheer waarin een larvaal stadium met
ontwikkeling voorkomt (bv. rund/varken bij lintworm).
Paratene gastheer: gastheer met larvaal stadium zonder ontwikkeling;
parasiet accumuleert er (bv. karper als roofvis die kleine vissen met parasiet
opeet).
Vector: gastheer met actieve rol in transmissie: biologisch (parasiet maakt
volledige ontwikkeling door, bv. tseetseevlieg) of mechanisch (bv. paardenvlieg
die bijt en parasiet overdraagt).
Prepatente fase: periode tussen infectie en infectieus worden (bv. bij
hoofdluis: tweede behandeling moet binnen prepatente fase gebeuren, anders
overleven eitjes).
Patente fase: periode van infectiviteit voor de omgeving (eitjes/larven in
stoelgang).
Endoparasiet: leeft in het lichaam (bv. malaria).
Ectoparasiet: leeft op de gastheer (bv. luis); symbiose waarbij ene afhankelijk is
van de andere en er schade is.
Mesoparasiet: leeft in externe caviteiten (mondholte, neusholte, urogenitaal),
bv. TRICHOMONAS VAGINALIS; bevindt zich nooit in de bloedbaan.
Reservoir: normaal biotoop van de parasiet; gastheer waarvan andere
gastheren geïnfecteerd kunnen worden.
Zoonose: overdracht van parasiet van dier naar mens; risico neemt toe
naarmate mensen dichter bij wilde dieren leven.