Written by students who passed Immediately available after payment Read online or as PDF Wrong document? Swap it for free 4.6 TrustPilot
logo-home
Document preview thumbnail
Preview 4 out of 43 pages
Summary

Samenvatting Inleiding tot de Ethiek UA | 2025/26

Document preview thumbnail
Preview 4 out of 43 pages

Deze studieaantekeningen behandelen de inleiding tot de ethiek aan de Universiteit Antwerpen, met focus op de grondslagen van moraal, normen en waarden. De belangrijkste onderwerpen zijn het utilitarisme van Jeremy Bentham en John Stuart Mill, meta-ethiek versus normatieve ethiek, en het werk van Iris Murdoch over moreel realisme en karaktervorming. Ideaal voor examenvoorbereiding en goed voor het begrijpen van de kernconcepten uit het eerste deel van de cursus.

Content preview

ETHIEK

Inleiding

- Etymologie:
o Ethos (Grieks): ‘de gewone verblijfplaats van dieren’
o Mores (Latijn): ‘wat gebruikelijk is’
o => sociale regels/afspraken
- Normen en waarden
o Niet alles wat wij goed vinden is ook moreel goed
o Veel verschillende soorten waarden en normen
- Wat zijn kenmerken van een morele handeling?
o Redelijk, niet emotioneel
o Komt vanuit jezelf, persoonlijk  niet opgelegd door anderen
o Gemotiveerd door de waarde erachter, niet de uitkomst

Probleem: criteria (a)moreel gedrag onderscheiden zijn niet neutraal, maar afhankelijk
van de betreffende theorie

- Moreel vs. amoreel: meta-ethiek  wat is ethiek?
- Moreel vs. immoreel: goed of niet?
-  Beide vragen worden tegelijk behandeld
- Terminologie:
o Moraal: heersende gebruiken, waarden
o Moraliteit: bewustzijn van een individu, eigenschap
o Ethiek: studieveld  empirisch of wijsgerig
- Sub-disciplines in de ethiek
o Descriptieve ethiek
o Wijsgerige ethiek
 Normatieve ethiek (1ste orde)
 Wat is de juiste handeling & waarom?
 Interpreteren en systematiseren
 Meta-ethiek (2de orde)
 Wat is ethiek?
 Truth-makers  wat maakt iets waar?

Utilitarisme

1. De bedenkers
- Normatief-ethische theorie ontwikkeld eind 18de eeuw
- De bedenkers: Jeremy Bentham en John Stuart Mill
1.1 Jeremy Bentham (1748 – 1832)
- “Nature has placed mankind under the governance of two sovereign masters, pain and
pleasure. It’s for them alone to point out what we ought to do, as well as to determine
what we shall do”.
- Streefde naar sociale vooruitgang
- Kan een wezen pijn voelen?
o Leven is vermijden van pijn, ook voor dieren
1.2 John Stuart Mill (1806 – 1873)
- Vernoemt partner en stiefdochter voor hulp bij zijn werken
- Utility/the greatest happiness principle
o Handling stellen die neigt om geluk te promoten

, o Geluk bevorderen
2 Theorie en argumenten van J.S. Mill
- Basisgedachte: goede handelingen zijn handelingen die goede dingen realiseren
- Morel normen: worden afgeleid v waarden
o Waarden: genot en pijn
- Welke waarde?  De waardenleer (axiologie)
- Welke norm?  Handelingsprincipe: utility-principle
2.1 De waardenleer van Mill
- Geluk is het enige dat we willen bereiken
o Al de rest is een middel om dat geluk te bereiken
- Geluk = genot & afwezigheid van pijn
o De enige finale waarde = geluk
- Mill verdedigt een hedonistisch utilitarisme
- Naturalistisch argument voor zijn waardenleer
o Mensen verlangen feitelijk naar plezier & de afwezigheid van pijn
o Het enige bewijs dat iets wenselijk is, is dat mensen dat ook werkelijk wensen
- Gedachte-experiment: “pleziermachine”
- Soorten genot
o Kwantitatief hedonisme: Bentham
 Zolang je er zelf plezier aan beleeft
o Kwalitatief hedonisme: Mill
 Onderscheid verschillende soorten genot (hoog of laag)
 Spanning in Mill tussen
 Natuurlijk uitgangspunt
 Kwalitatief hedonisme
 Oplossing: baseert op wat ‘experts’ zeggen  plezier is enige
intrinsieke waarde
2.2 De handelingsnorm
- Utility-principle van Mill
- Handeling stellen die meeste geluk voor de meeste mensen oplevert
o Niet enkel aantal mensen, maar ook hoe groot hun geluk is
o Niet enkel toename in geluk maar ook toename in ongeluk
o Niet enkel eigen geluk
o Kwaliteitsvolle geluk meer laten doorwegen
- Hoe komt de norm precies tot stand
o Elke persoon heeft goed aan andermans geluk
o We moeten streven naar ieders geluk  maximaliseren
o We doen wat het meeste geluk opbrengt voor iedereen
 Gomt verschil tussen individuen uit
- Onbeargumenteerde overgang: morele standpunt = onpartijdig
2.3 Invloed van 2.1 op 2.2
- Je kan andere waarden dan ‘genot’ vooropstellen
o We consequentialisme genoemd
- Consequentialisme = de juistheid van een handeling hangt enkel af van de gevolgen
- Welke gevolgen zijn moreel relevant?
o Wordt bepaald door de waardenleer
- Leidt tot verschillende vormen van consequentialisme
o Klassiek hedonistisch utilitarisme
o Voorkeursutilitarisme (preferentie-utilitarisme)

, o Pluralistisch consequentialisme
3 De evaluatie
- Vraag: wat is de juiste handeling?
- Antwoord: de handeling die leidt tot the greatest happiness for the greatest number
4 Objecties tegen het consequentialisme & variaties
4.1 Doen gevolgen er altijd toe?
- Handeling is juist als en slechts als ze de goede gevolgen maximaliseert
- Kan handeling slecht/goed zijn onafhankelijk van de gevolgen
o Voldoende of noodzakelijke voorwaarde
- Doen gevolgen er eigenlijk ooit toe
o ‘Binnenkant van een handeling’
- Utilitarisme levert geen bruikbare procedure op: geen tijd, inzicht genoeg om gevolgen af
te wegen
o JSM: utilitarisme is geen dagelijkse handleiding
- In principe onmogelijk om gevolgen te kennen  buiten controle om
- Variatie: expected vs actual outcome
o Hoe weeg je gevolgen van een handeling af tegen rechten van persoon die
getroffen is
- Variatie: actutilitarisme vs. regelutilitarisme
o Regelutilitarisme:
 Handeling juist als die conform is aan een regel die leidt tot de beste
resultaten
 Maar heeft regelutilitarisme plausibel beeld van wat rechten zijn?
 Rechten zijn intrinsiek, geen instrumenten
o Actutilitarisme:
 Elke situatie wordt apart beoordeeld.
 Je kiest de handeling die in dat specifieke geval het meeste nut (geluk,
welzijn) oplevert.
 Er zijn geen vaste regels; de context bepaalt wat juist is.
- Waarden en normen
o Algemene structurele consequenties: waarde  norm
o Axiologie: wat heeft waarde, wat is goed
4.2 Doet geluk (als genot) er altijd toe?
- Wat moreel telt is niet het genot maar dat mensen krijgen wat ze wensen:
verlangensbevrediging
- Variatie: genotsutitilitarisme vs. voorkeursutilitarisme
o Probleem verschuift naar: doet verlangensbevrediging er in morele zin altijd toe?
o Irrationele voorkeuren, adapted preferences
o Objectieve standaard nodig  mogelijk?
o Is het plausibel dat er maar één waarde is die ertoe doet
 Monisme van het utilitarisme
 Consequentialisme kan ook pluralistisch zijn: kennis, liefde, schoonheid, zijn
waardevol los van plezier
4.3 Doet onpartijdigheid er altijd en in elke vorm toe?
- Onpartijdigheid met betrekking tot ‘the patient’ (the near and dear objection)
- Onpartijdigheid met betrekking tot ‘the agent’ (handel ik of iemand anders)
- The near & dear objection: persoon redden die het meeste goed kan doen voor de
volledige mensheid
o Utilitarisme is contra-intuïtief

, o Bernard Williams: utilitarisme ziet actor als een doorgeefluik voor de stand van
zaken
o Kan de utilitarist integriteit denken?



4.4 Doet maximalisatie er altijd toe?
- Demandingness-objection:
- Plicht nooit vervuld
o Handeling is enkel juist als ze goede gevolgen maximaliseert
o Falen we als we X doen, maar Y betere consequenties had
o Demandingness = veeleisendheid
o Verdeelsleutel:
 Geen rechtvaardige verdeling van nut  enkel totale hoeveelheid
o Variatie: gemiddelde nut vs. totaal nut
 Voor meeste utilitaristen doet hoeveelheid er wel toe
 Rawls: utilitaristen respecteren ‘separateness of persons’ niet

Deontologie (plichtethiek)

1. Consequentialisme vs deontologie
- Deontologie wordt vaak afgezet tegen consequentialisme
- Consequentialisme
o Inhoud: of handeling juist is hangt enkel af van de gevolgen
o Structuur van waarde naar norm  plicht
o Revisionisme
- Deontologie
o Inhoud: of handeling juist is hangt niet enkel af van de gevolgen
o Structuur: je kan morele plicht niet afleiden van een doel, of iets anders buiten de
moraal
- Common sense:
o Standaard moreel gebod/verbod
- Hoe komt morele plicht tot stand: Immanuel Kant
o Toont argumentatief aan waarom sommige handelingen (niet) toelaatbaar zijn
o Geen nieuwe moraal, maar een fundament of onderliggend principe voor
bestaande moraal
2. Immanuel Kant
- Duitse verlichtingsdenker
- Nodigde mensen van over de hele wereld uit  leefde in Koningsbergen (havenstad)
- Franse revolutie: emancipatie, los vd autoriteit
o Sapere aude = durf te denken
2.1 Kritieken van Kant
- 3 basisvragen van de filosofie.
- Niet kritiek geven, maar kritisch nadenken/analyseren van de mogelijkheidsvoorwaarden
o Kritik der reinen Vernunft
 Wat kunnen we kennen
o Kritik der praktischen Vernunft
 Wat moeten we doen
o Kritik de r Urteilskraft
 Wat mogen we hopen
- Hoe komt Kant tot het fundamentele principe onderliggend aan de moraal?

Document information

Study
Uploaded on
July 28, 2026
Number of pages
43
Written in
2025/2026
Type
Summary
$8.75

Wrong document? Swap it for free Within 14 days of purchase and before downloading, you can choose a different document. You can simply spend the amount again.
Written by students who passed
Immediately available after payment
Read online or as PDF

Sold
0
Followers
0
Items
2
Last sold
-


Why students choose Stuvia

Created by fellow students, verified by reviews

Quality you can trust: written by students who passed their tests and reviewed by others who've used these notes.

Didn't get what you expected? Choose another document

No worries! You can instantly pick a different document that better fits what you're looking for.

Pay as you like, start learning right away

No subscription, no commitments. Pay the way you're used to via credit card and download your PDF document instantly.

Student with book image

“Bought, downloaded, and aced it. It really can be that simple.”

Alisha Student

Working on your references?

Create accurate citations in APA, MLA and Harvard with our free citation generator.

Working on your references?

Frequently asked questions