2025-2026
Prof: Lemaire
KUL campus Brussel
1
,Week 2 – Hart: positivism and the separation of law and morals
1. Welke fout maken de critici van het rechtspositivisme volgens Hart?
Volgens H.L.A. Hart maken critici van het rechtspositivisme een
fundamentele denkfout:
zij verwarren een beschrijvende stelling met een normatieve
stelling.
Wat betekent dat concreet?
->Hart zegt dat rechtspositivisten het volgende beweren: Wat recht is,
hangt niet noodzakelijk af van wat moreel juist is.
Critici horen dit en denken dat rechtspositivisten daarmee ook zeggen: Wat recht
is, moet gehoorzaamd worden, zelfs als het moreel verwerpelijk is.
Volgens Hart is dat niet wat rechtspositivisten zeggen.
Zij proberen enkel het recht te beschrijven zoals het bestaat, niet om
te zeggen dat het daarom ook goed, rechtvaardig of moreel
aanvaardbaar is.
De fout van de critici is dus dat zij:denken dat rechtspositivisme morele
goedkeuring inhoudt,terwijl het in werkelijkheid gaat om een analytisch
onderscheid tussen recht en moraal.
2. Welke drie kritieken onderscheidt Hart op het rechtspositivisme?
Hart zegt dat kritiek op rechtspositivisme meestal uit drie verschillende
richtingen komt. Hij maakt die drie expliciet om te tonen dat ze vaak
door elkaar gehaald worden.
1) Morele kritiek
Dit is de kritiek dat rechtspositivisme zou leiden tot moreel onrecht,
bijvoorbeeld dat het zou toelaten dat onrechtvaardige wetten als geldig
recht worden beschouwd.
Hart antwoordt hierop dat rechtspositivisme geen morele theorie is,
maar een theorie over wat recht is, niet over wat recht moet zijn.
2) politieke of historische kritiek
Sommige critici zeggen dat rechtspositivisme historisch verbonden is met
autoritaire regimes en blinde gehoorzaamheid aan de staat.
Hart zegt dat dit een verkeerde historische associatie is en dat het
logisch onderscheid tussen recht en moraal juist kan helpen om
onrechtvaardig recht te herkennen en te bekritiseren.
3) theoretische of conceptuele kritiek
Dit is kritiek op de manier waarop rechtspositivisten het recht begrijpen,
bijvoorbeeld als een bevel van een machthebber.
Hier richt Hart zich vooral tegen oudere positivistische theorieën, zoals die
van Austin, omdat zij het recht volgens hem te simplistisch voorstellen.
2
, Belangrijk:
Hart benadrukt dat niet alle kritiek het rechtspositivisme als zodanig
raakt, maar vaak enkel bepaalde versies ervan.
3. Welke auteurs bespreekt Hart als rechtspositivisten (die hij soms ook
‘Utilitarians’ noemt)?
Wanneer Hart het heeft over rechtspositivisten of “Utilitarians”, verwijst hij
vooral naar klassieke Engelse denkers uit de 18e en 19e eeuw.
De belangrijkste auteurs die hij bespreekt zijn:
Jeremy Bentham
-> Jeremy Bentham wordt door Hart gezien als een van de grondleggers van
het rechtspositivisme.
Bentham vertrekt van het idee dat:
recht door mensen wordt gemaakt,
recht niet afkomstig is van God, natuur of moraal,
en dus ook veranderd en bekritiseerd kan worden.
Voor Bentham is het belangrijk dat men:
eerst vaststelt wat het recht is,
en daarna pas beoordeelt of dat recht goed of slecht is.
Op dat punt is Hart het grotendeels met Bentham eens. Bentham helpt
volgens Hart om het recht helder te analyseren, zonder het te vermengen
met morele overtuigingen.
John Austin
-> John Austin is de belangrijkste figuur die Hart uitgebreid bespreekt én
bekritiseert.
Austin bouwt voort op Bentham, maar gaat volgens Hart te ver in zijn
vereenvoudiging van het recht. Austin stelt dat:
recht bestaat uit bevelen,
uitgevaardigd door een soeverein,
die worden ondersteund door sancties.
Hart noemt dit problematisch omdat:
veel rechtsregels geen bevelen zijn, maar bevoegdheden (bijvoorbeeld
regels over contracten of verkiezingen),
moderne staten geen duidelijke “soeverein” hebben die boven iedereen
staat,
3
, en rechters vaak moeten interpreteren, niet simpelweg bevelen
toepassen.
Daarom zegt Hart dat veel kritiek op rechtspositivisme eigenlijk kritiek is op
Austin, en niet op rechtspositivisme als zodanig.
John Stuart Mill wordt door Hart soms vermeld, maar speelt een bijrol.
Mill is vooral belangrijk als:
moreel en politiek filosoof,
niet als rechtsfilosoof met een uitgewerkte rechtstheorie.
Hart verwijst naar Mill om de utilitaristische context te schetsen, maar hij
bouwt zijn juridische analyse niet op Mill.
4. Wat is volgens Hart de kern van rechtspositivisme, en hoe verschilt het
van wat hij het positivisme van wat hij de ‘Utitilitarians’ (met name Austin)
noemt?
Volgens H.L.A. Hart ligt de kern van rechtspositivisme in het idee dat
men recht en moraal conceptueel moet onderscheiden. Dat betekent
heel concreet dat de vraag “Is dit een geldige rechtsregel?” een andere
vraag is dan “Is deze rechtsregel moreel goed of rechtvaardig?”. Voor
Hart hangt de geldigheid van recht af van sociale feiten, zoals wie de
regel heeft gemaakt en volgens welke procedures, en niet van de
morele inhoud van die regel. Een wet kan dus juridisch geldig zijn, zelfs als
zij moreel onrechtvaardig is.
Dit is voor Hart het echte, minimale rechtspositivisme. Het zegt niet dat
men onrechtvaardig recht moet gehoorzamen, maar enkel dat men eerst
helder moet vaststellen wat als recht geldt alvorens men het moreel
kan beoordelen of bekritiseren.
Hart maakt vervolgens een duidelijk onderscheid tussen dit kernidee en
wat hij het positivisme van de ‘Utilitarians’ noemt, vooral dat van John
Austin. Austin gaat volgens Hart veel verder dan nodig is. Hij probeert
recht volledig te verklaren als een systeem van bevelen van een
soeverein, ondersteund door dreiging met sancties. Dat is volgens
Hart niet de kern van rechtspositivisme, maar een specifieke,
verouderde theorie binnen het positivisme. Met andere woorden: je kan
rechtspositivist zijn zonder te geloven dat recht altijd neerkomt op bevelen
en straf.
5. Wat is volgens Hart analytische rechtsfilosofie?
Met analytische rechtsfilosofie bedoelt Hart een manier van
rechtsfilosofie bedrijven waarbij men probeert zo precies mogelijk te
analyseren wat juridische begrippen betekenen. Het gaat niet om
4