IRW OEFENINGEN 2025-2026 versie B
1
, Casus 1
Nu het verkeer opnieuw toeneemt na het einde van de lockdownperiode wil het Vlaams
Parlement de Vlaamse fileproblemen aanpakken. In overleg met de bevoegde minister Van
den Broeck wordt daarom met ingang van 1 augustus een nieuw wegenvignet ingevoerd. Het
decreet van 26 juli 2020 bepaalt hiertoe dat alle voertuigen die de Vlaamse autosnelwegen
gebruiken, moeten beschikken over dit nieuwe vignet. Om dit vignet (geldig voor één jaar) te
bekomen moeten ze op voorhand 300 euro betalen. Vlamingen zullen deze heffing volledig
gecompenseerd zien door een gelijkwaardige vermindering van de verkeersbelasting.
De Nederlandse transportonderneming Fast Cargo – die transport verzorgt van Nederland naar
de Benelux – moet hierdoor voor al haar vrachtwagens een dergelijk vignet aankopen. Zij zijn
hier niet mee opgezet en besluiten om dit niet te doen. Mark, een chauffeur van Fast Cargo,
wordt echter betrapt, waarop de Vlaamse Regering zijn werkgever dagvaardt voor de
bevoegde rechtbank tot betaling van het vignet.
Fast Cargo wil vermijden dat zij het vignet moet betalen. Wat kan zij opwerpen als verweer?
Leg uit en verwijs waar mogelijk naar de relevante rechtsgrond(en).
1. Getoetste norm: wet (boven de “rode streep”), in casu een decreet.
2. Aan welke norm: art. 56-57 VWEU (diensten).
Het decreet bevat een regel die het vrij verkeer van diensten binnen de EU beperkt.
a) Heeft de Europese norm rechtstreekse werking?
o Objectief criterium: voldoende duidelijk en volledig geformuleerd zodat geen
verdere uitvoeringsmaatregelen zijn vereist.
o Subjectief criterium: de verdragsluitende partijen hadden de bedoeling
subjectieve rechten te verlenen aan de individuele personen.
b) Is het verdrag rechtstreeks toepasselijk?
o Internationaal in werking.
o Nationaal in werking (ratificatie en bekendmaking).
3. Grondslag: Smeerkaasarrest, namelijk de exceptie van internationale
onrechtmatigheid.
4. Bevoegd rechtscollege: de gewone rechter kan een wet in formele zin rechtstreeks
toetsen aan internationaal recht met rechtstreekse werking (artikel 159 Gw.).
5. Termijn: geen termijn te respecteren.
6. Sanctie: niet-toepasselijkheid in concreet geschil, namelijk geen heffing.
7. Gevolg: geen heffing voor vrachtwagens.
2
1
, Casus 1
Nu het verkeer opnieuw toeneemt na het einde van de lockdownperiode wil het Vlaams
Parlement de Vlaamse fileproblemen aanpakken. In overleg met de bevoegde minister Van
den Broeck wordt daarom met ingang van 1 augustus een nieuw wegenvignet ingevoerd. Het
decreet van 26 juli 2020 bepaalt hiertoe dat alle voertuigen die de Vlaamse autosnelwegen
gebruiken, moeten beschikken over dit nieuwe vignet. Om dit vignet (geldig voor één jaar) te
bekomen moeten ze op voorhand 300 euro betalen. Vlamingen zullen deze heffing volledig
gecompenseerd zien door een gelijkwaardige vermindering van de verkeersbelasting.
De Nederlandse transportonderneming Fast Cargo – die transport verzorgt van Nederland naar
de Benelux – moet hierdoor voor al haar vrachtwagens een dergelijk vignet aankopen. Zij zijn
hier niet mee opgezet en besluiten om dit niet te doen. Mark, een chauffeur van Fast Cargo,
wordt echter betrapt, waarop de Vlaamse Regering zijn werkgever dagvaardt voor de
bevoegde rechtbank tot betaling van het vignet.
Fast Cargo wil vermijden dat zij het vignet moet betalen. Wat kan zij opwerpen als verweer?
Leg uit en verwijs waar mogelijk naar de relevante rechtsgrond(en).
1. Getoetste norm: wet (boven de “rode streep”), in casu een decreet.
2. Aan welke norm: art. 56-57 VWEU (diensten).
Het decreet bevat een regel die het vrij verkeer van diensten binnen de EU beperkt.
a) Heeft de Europese norm rechtstreekse werking?
o Objectief criterium: voldoende duidelijk en volledig geformuleerd zodat geen
verdere uitvoeringsmaatregelen zijn vereist.
o Subjectief criterium: de verdragsluitende partijen hadden de bedoeling
subjectieve rechten te verlenen aan de individuele personen.
b) Is het verdrag rechtstreeks toepasselijk?
o Internationaal in werking.
o Nationaal in werking (ratificatie en bekendmaking).
3. Grondslag: Smeerkaasarrest, namelijk de exceptie van internationale
onrechtmatigheid.
4. Bevoegd rechtscollege: de gewone rechter kan een wet in formele zin rechtstreeks
toetsen aan internationaal recht met rechtstreekse werking (artikel 159 Gw.).
5. Termijn: geen termijn te respecteren.
6. Sanctie: niet-toepasselijkheid in concreet geschil, namelijk geen heffing.
7. Gevolg: geen heffing voor vrachtwagens.
2