1. Op weg naar een defitnitie: wat zijn gespreksvaardigheden?........................1
1.1 Het zender-ontvangermodel......................................................................................1
1.2 De commincatietheorie van Watzlawick....................................................................2
2. Empathisch luisteren..................................................................................7
2.1 Basisvaardigheden in gespreksvoering.....................................................................7
2.2 Aandachtgevend gedrag........................................................................................... 8
2.3 Vragen stellen........................................................................................................... 9
2.4 Doorvragen............................................................................................................. 11
2.5 Samenvatten........................................................................................................... 12
2.6 Gebruik van stiltes................................................................................................... 14
2.7 Zelfonthulling.......................................................................................................... 14
3. Gespreksopbouw......................................................................................15
3.1 Fasen in een gesprek (VOVOA)................................................................................15
4. Geven van feedback en respectvol confronteren........................................16
4.1 Feedback geven...................................................................................................... 16
4.2 Johari-venster.......................................................................................................... 17
4.3 Respectvol confronteren.........................................................................................19
5. Spreken voor een groep............................................................................20
5.1 Bereid je goed voor................................................................................................. 20
5.2 Het geven van een presentatie...............................................................................21
5.3 De geheimen van een boeiende spreker.................................................................22
6. Telefoneren.............................................................................................. 23
6.1 Waarom vinden we telefoneren lastig en moeilijk?.................................................23
6.2 Telefoneren, hoe?.................................................................................................... 23
7. Effectief vergaderen.................................................................................25
7.1 Doelen van een vergadering...................................................................................25
7.2 Voorbereiding van de vergadering..........................................................................25
7.3 Het verloop van de vergadering..............................................................................26
8. Doelen bespreken, informeren en adviseren..............................................31
8.1 Doel bespreken....................................................................................................... 31
8.2 Informeren............................................................................................................... 31
8.3 Advies geven........................................................................................................... 32
,8.4 Benutten van ervaringsdeskundigheid....................................................................34
,1. OP WEG NAAR EEN DEFITNITIE: WAT ZIJN
GESPREKSVAARDIGHEDEN?
1.1 HET ZENDER-ONTVANGERMODEL
zender-ontvangermodel:
- Shannon en Weaver uit 1949
- een van eerste modellen die communicatieproces in kaart probeerde te brengen
- model voor verzenden van boodschappen via telefoon
proces:
- zender probeert boodschap (informatie) over te brengen aan ontvanger
- zet boodschap over in bepaalde symbolen (taal) = coderen van boodschap
- gecodeerde boodschap moet via communicatiekanaal worden overgebracht
(telefoon)
- gecodeerde boodschap komt bij ontvanger moet coderen = vertalen op zo’n
manier dat die voor hem duidelijk wordt
- na codering is er een effect = interpretatie van ontvangen boodschap van
ontvanger
kritiek op model:
- te simpel
- eenrichtingsverkeer
- geen rekening met context / situatie
- geen rekening met non-verbale communicatie
- modellen hierna ontwikkeld hielden rekening met kritiek: toevoeging:
o wederzijdse feedback
o ruis (overal)
termen:
- coderen:
o zender probeert boodschap over te brengen naar ontvanger
door te communiceren
o zender moet boodschap in bepaalde symbolen omzetten (verbaal én non-
verbaal)
- kanaal/medium:
o gecodeerde boodschap moet via kanaal worden gebracht naar ontvanger
o = manier waarop boodschap wordt overgebracht
o vb. spraak, non-verbale gebaren, sms, emoji’s, lied, gedicht, …
- decoderen:
o gecodeerde boodschap moet worden waargenomen en geïnterpreteerd wor
den
o interpreteren = betekenis toekennen aan boodschap
o opvangen en interpreteren wordt beïnvloed door objectiviteit, subjectiviteit
en intersubjectiviteit
o objectiviteit/neutraliteit:
zakelijkheid en feitelijkheid
informatie is meetbaar en controleerbaar
zonder betekenis of waardeoordeel niet echt mogelijk
betere term = neutraliteit (kunnen wel neutraal waarnemen (vb.
aantal minuten)
1
, o subjectiviteit:
eigen betekenis toekennen aan informatie
waarneming kan neutraal zijn maar interpretatie is altijd subjectief
mensen trekken verschillende conclusies
o intersubjectiviteit:
interpretaties van mensen met elkaar vergelijken
decoderen van verschillende personen + decodering uitwisselen
doel = tot gezamenlijke mening komen
vb. een sollicitatiegesprek nabespreken
- ruis in de communicatie:
o storende factoren
o zorgen voor misverstanden
o neiging om boodschap te beoordelen op basis van eigen referentiekader
o oplossen: checken wat ander bedoelt, stigmatisering voorkomen
o factoren voor ruis liggen op vier terreinen
o 1. factoren in de context:
factoren die context bepalen:
plaats
tijdstip
aan- of afwezigheid van derden
beïnvloed de manier waarop je boodschap gaat waarnemen/
interpreteren
vb. docent geeft kritiek in bijzijn van medestudenten
anders interpreteren
o 2. factoren bij het communicatiekanaal/medium:
medium vertoont technische mankementen
ontvanger kan boodschap niet goed coderen
vb.
slechte kopieën, slechte telefoonverbinding of dialect gesproken
o 3. factoren bij jezelf:
boodschap kan niet goed overkomen
vb. je zendt tegenstrijdige boodschappen uit, non-verbale / verbale
communicatie stemmen niet overeen, je houdt bewust/onbewust
informatie achter, …
o 4. factoren bij de ander:
humeur speelt rol (anders interpreteren wanneer je boos bent)
oordelen van jou (anders dan wanneer iemand je vriend is)
normen en waarden van de ander, referentiekader
aandacht die er is
informatie niet kunnen plaatsen omdat ze het niet kennen
Oost-Indisch doof zijn (dingen liever niet horen)
1.2 DE COMMINCATIETHEORIE VAN WATZLAWICK
communicatietheorie van Watzlawick:
- complexiteit van menselijke communicatie in kaart brengen
- focus op pragmatische aspecten, niet op taal
interpretatie van taal bepaald betekenis
- alle gedrag is communicatie
2
, - axioma = aanname of stelling die aangenomen wordt / soort grondregel
deze axioma’s geven inzicht in communicatiepatronen tussen mensen +
kunnen verstoringen blootleggen
3