Markten en Prijzen:
theorie
1. consumptie: behoeftebevrediging
2. sparen: uitgestelde consumptie
3. vermogen: alle goederen en financiële middelen die iemand bezit
4. productie: alle activiteiten waardoor goederen en diensten tot stand worden gebracht
5. vervangingsinvestering: investering om verouderde duurzame kapitaalgoederen te
vervangen
6. netto-investering: investering om de productiecapaciteit uit te breiden
7. bruto-investeringen: vervangingsinvesteringen + netto-investeringen
8. intermediare goederen: goederen die niet geconsumeerd worden, maar die
ondernemingen ge-bruiken als grondstof of hulpstof
9. economische agenten: personen en instellingen die beslissingen nemen (omtrent de
economie)
10. soorten economische agenten (3): - gezinnen
-ondernemingen
-overheid (dwangmacht)
11. eenvoudige economische kringloop: gezinnen verwerven een inkomen
voor hun arbeid en spenderen hun inkomen aan consumptiegoederen en diensten (beiden
afkomstig van ondernemingen)
12. stappen eenvoudige economische kringloop (3): - inkomenscreatie
-inkomensverdeling
-inkomensbesteding
13. 1990-purchasing power parity-dollar: koopkracht van één dollar in 1990
14. per capita: per hoofd van de bevolking, per persoon
15. economische groei: procentuele verandering van het BBP per capita doorheen de
tijd
16. positieve uitspraak: uitspraak gebaseerd op feiten (juist of fout)
17. normatieve uitspraak: uitspraak gebaseerd op waarden (geen juist of fout)
18. productiviteit: BBP per gewerkt uur
19. speldenfabriek van Adam Smith (2): - arbeidsverdeling: juiste werker op de
juiste plaats
-specialisatie: specialiseren in een bepaalde taak
20. arbeidsproductiviteit: geproduceerde output per uur gepresteerde arbeid
, Markten en Prijzen:
theorie
21. doemscenarie van Malthus (2): - voorspelling: voedsel per capita neemt af
-technologische vooruitgang en geboortecontrole lieten zijn voorspelling niet uitkomen
22. internationale handel volgens Ricardo: bij een verschil in
opportuniteitskosten leiden special-isatie en ruil tot ruimere consumptiemogelijkheden
23. absoluut voordeel: produceert beide goederen eflciënter
, Markten en Prijzen:
theorie
24. comparatief voordeel: laagste opportuniteitskost voor een bepaald goed
25. opportuniteitskost: hoeveel eenheden je van het ene product moet opotteren, om
het andere te kunnen produceren
26. productiemogelijkhedencurve (PMC): alle maximaal haalbare
combinaties van 2 goederen gegeven de hoeveelheid productiefactoren
27. productiemogelijkhedenverzameling: alle combinaties onder de
productiemogelijkheden-curve
28. concave productiemogelijkhedencurve: opportuniteitskost stijgt naarmate
er meer van een bepaald goed geproduceerd wordt
29. Easterlin-paradox (2): - longitudinaal is er geen samenhang tussen geluk en
welvaart
-cross-sectioneel onderzoek is er wel een samenhang tussen geluk en welvaart
30. longitudinaal: één element doorheen de tijd
31. cross-sectioneel: meerdere elementen op één moment
32. correlatie: samenhang
33. causaliteit: oorzakelijk verband
34. verklaring Easterlin-paradox (2): - gemiddeld wordt iedereen rijker dus
geluk daalt
-hoger inkomen went
35. rationele-keuzetheorie: beste keuze volgens zijn/haar voorkeuren bepaald door
zijn/haar beperkin-gen
36. homo economicus: rationele economische agent
37. soorten inputs (2): - lopende inputs
-productiefactoren
38. bruto-toegevoegde waarde: verschil tussen inputs en output
39. netto-toegevoegde waarde: bruto toegevoegde waarde - depreciatie
40. bruto binnenlands product (BBP) (2): - som van alle toegevoegde
waardes
-marktwaarde van alle finale goederen en diensten
41. economische recessie: negatieve groei gedurende 2 of meer opvolgende
kwartalen
42. eerste wet van Gossen: extra consumptie leidt tot extra voldoening maar
afnemend marginaal nut
theorie
1. consumptie: behoeftebevrediging
2. sparen: uitgestelde consumptie
3. vermogen: alle goederen en financiële middelen die iemand bezit
4. productie: alle activiteiten waardoor goederen en diensten tot stand worden gebracht
5. vervangingsinvestering: investering om verouderde duurzame kapitaalgoederen te
vervangen
6. netto-investering: investering om de productiecapaciteit uit te breiden
7. bruto-investeringen: vervangingsinvesteringen + netto-investeringen
8. intermediare goederen: goederen die niet geconsumeerd worden, maar die
ondernemingen ge-bruiken als grondstof of hulpstof
9. economische agenten: personen en instellingen die beslissingen nemen (omtrent de
economie)
10. soorten economische agenten (3): - gezinnen
-ondernemingen
-overheid (dwangmacht)
11. eenvoudige economische kringloop: gezinnen verwerven een inkomen
voor hun arbeid en spenderen hun inkomen aan consumptiegoederen en diensten (beiden
afkomstig van ondernemingen)
12. stappen eenvoudige economische kringloop (3): - inkomenscreatie
-inkomensverdeling
-inkomensbesteding
13. 1990-purchasing power parity-dollar: koopkracht van één dollar in 1990
14. per capita: per hoofd van de bevolking, per persoon
15. economische groei: procentuele verandering van het BBP per capita doorheen de
tijd
16. positieve uitspraak: uitspraak gebaseerd op feiten (juist of fout)
17. normatieve uitspraak: uitspraak gebaseerd op waarden (geen juist of fout)
18. productiviteit: BBP per gewerkt uur
19. speldenfabriek van Adam Smith (2): - arbeidsverdeling: juiste werker op de
juiste plaats
-specialisatie: specialiseren in een bepaalde taak
20. arbeidsproductiviteit: geproduceerde output per uur gepresteerde arbeid
, Markten en Prijzen:
theorie
21. doemscenarie van Malthus (2): - voorspelling: voedsel per capita neemt af
-technologische vooruitgang en geboortecontrole lieten zijn voorspelling niet uitkomen
22. internationale handel volgens Ricardo: bij een verschil in
opportuniteitskosten leiden special-isatie en ruil tot ruimere consumptiemogelijkheden
23. absoluut voordeel: produceert beide goederen eflciënter
, Markten en Prijzen:
theorie
24. comparatief voordeel: laagste opportuniteitskost voor een bepaald goed
25. opportuniteitskost: hoeveel eenheden je van het ene product moet opotteren, om
het andere te kunnen produceren
26. productiemogelijkhedencurve (PMC): alle maximaal haalbare
combinaties van 2 goederen gegeven de hoeveelheid productiefactoren
27. productiemogelijkhedenverzameling: alle combinaties onder de
productiemogelijkheden-curve
28. concave productiemogelijkhedencurve: opportuniteitskost stijgt naarmate
er meer van een bepaald goed geproduceerd wordt
29. Easterlin-paradox (2): - longitudinaal is er geen samenhang tussen geluk en
welvaart
-cross-sectioneel onderzoek is er wel een samenhang tussen geluk en welvaart
30. longitudinaal: één element doorheen de tijd
31. cross-sectioneel: meerdere elementen op één moment
32. correlatie: samenhang
33. causaliteit: oorzakelijk verband
34. verklaring Easterlin-paradox (2): - gemiddeld wordt iedereen rijker dus
geluk daalt
-hoger inkomen went
35. rationele-keuzetheorie: beste keuze volgens zijn/haar voorkeuren bepaald door
zijn/haar beperkin-gen
36. homo economicus: rationele economische agent
37. soorten inputs (2): - lopende inputs
-productiefactoren
38. bruto-toegevoegde waarde: verschil tussen inputs en output
39. netto-toegevoegde waarde: bruto toegevoegde waarde - depreciatie
40. bruto binnenlands product (BBP) (2): - som van alle toegevoegde
waardes
-marktwaarde van alle finale goederen en diensten
41. economische recessie: negatieve groei gedurende 2 of meer opvolgende
kwartalen
42. eerste wet van Gossen: extra consumptie leidt tot extra voldoening maar
afnemend marginaal nut