Het ontstaan van het heelal zou 13,7 miljard jaar geleden met een oerknal – de
Big Bang – zijn begonnen. Na dit begin zijn sterren en planeten ontstaan, die zich
in melkwegstelsels hebben gegroepeerd. De snelheid van het licht: 300.000
km/s. Hoe bereken je zo iets? Astronomen of sterrenkundigen werken daarvoor
met begrippen als AE (astronomische eenheid) en lichtjaar. Een AE is 150 miljoen
kilometer, de afstand van de aarde tot de zon.
Het heelal is dan ook oneindig groot, waardoor de andere onmetelijk klein lijkt.
De laag waarin al het bekende leven van het universum zit, is dus maar 20km
dik. Als we op deze manier van het leven het leven op aarde bedreigen, zal onze
toekomst op aarde bedreigd. De planeet aarde zal zonder twijfel voortbestaan.
Met de huidige stand van de wetenschap is bepaald dat de aarde ruim 6 miljard
jaar geleden ontstaan moet zijn uit gloeiend, komisch stof. Rond de aarde
ontstond een hete atmosfeer die behoorlijk afweek van de atmosfeer nu. Er was
veel methaangas, ammoniakgas, waterdamp en waterstofgas. Dit gasmengsel
stond bloot aan een voortdurend bombardement van uv-straling, radioactieve
straling en elektrische ontladingen. Daarna is een afkoeling opgetreden. Een van
de theorieën is dat een komeet als de 67P/Churyumov-Gerasimenko, een grote
rots-IJsklomp, ooit ten aarde stortte -> heeft wel een andere samenstelling dan
onze zeeën en oceanen dus daarom nniet of niet alleen door deze kometen
ontstaan.
Door straling en ontladingen ontstonden er steeds meer en ingewikkelder
moleculen, die uiteindelijk de basis vormen voor het leven. Die basis wordt
gevormd door eiwitten en andere verbindingen met koolstof, waterstof en
zuurstof. De laatste twee elementen vormen ook de basis voor water. Aan deze
verbindingen konden zich weer allerlei elementen zoals fosfor, stikstof en
metalen koppelen waardoor verbindingen met allerlei eigenschappen zich
ontwikkelden. Op enig moment zijn allerlei combinaties van verbindingen in staat
gebleken zichzelf in stand te houden en zich te vermenigvuldigen -> het moment
dat leven ontstond.
Allerlei kenmerken zijn essentieel voor leven zoals wij dat nu kennen. Er is een
onderscheid tussen levend, dood en levenloos. Stenen hebben nooit geleefd en
zijn dus levenloos, net als ijzer, plastic en glas. Een overleden vogel heeft ooit
geleefd en is dus dood. Dat zelfde geld voor een omgewaaide boom.
Wanneer is iets levend? Moet het bewegen? Nee, want planten blijven op een
plek. Moet het zich geslachtelijk kunnen voortplanten? Nee, want eencellige
organismen delen zichzelf. Moeten ze kunnen zien? Nee, planten hebben geen
ogen en er zijn ook diersoorten die niet of nauwelijks kunnen zien. Moet er sprake
zijn van stofafwisseling? Daar is wat voor te zeggen, want alle levende
organismen nemen stoffen op om te groeien of in hun energiebehoefte te
voorzien en scheiden afgewerkte (afval)stoffen uit. En is ademhaling een
criterium? Ja toch, op een paar zeldzame bacteriesoorten na halen alle levende
organismen op de een of andere manier adem/ het hebben van stofwisseling en
ademhaling kun je dus criteria voor levend noemen, een ander kenmerk is dat
organismen maar bepaalde tijd leven.
, Samenvattend: organismen groeien en kunnen zich voortplanten, ze scheiden
stoffen af, halen adem, kunnen hun omgeving waarnemen en daarop reageren en
gaan uiteindelijk allemaal dood. Doen ze dit allemaal niet, noemen we ze
levenloos
De cel is het kleinste onderdeel van een organisme dat alle genetische informatie
van dat organisme bevat. De eerste vormen van leven waren bacteriën,
eencellige organismen. Organismen die je met het blote oog kan zien, zijn
allemaal meercellig. Een meercellig organisme is opgebouwd uit verschillende
cellen, met verschillende functies, die dezelfde genetische informatie (DNA)
bevatten.
Alle planten, dieren, schimmels en bacteriën bestaan uit cellen. Een cel bestaat
uit een celmembraan, dat de celinhoud, het cytoplasma, omgeeft. Door het
celmembraan heen kunnen stoffen in en buiten de cel uitgewisseld worden. Bij
planten, bacteriën en schimmels wordt het celmembraan nog omgeven door een
stevige celwand. Dierlijke cellen hebben geen celwand. De buitenkant van
dierlijke cellen wordt gevormd door het celmembraan.
Het cytoplasma bestaat uit een vloeistof (cytosol) waarin allerlei celorganen
(organellen) drijven. Het belangrijkste celorgaan is de celkern (die bij bacteriën
ontbreekt). In de celkern ligt het meeste DNA opgeslagen. De celkern wordt door
een eigen membraan gescheiden van het cytoplasma. alle eukaryoten
(organismen met cellen met een kern) hebben in de celvloeistof mitochondriën.
Deze organellen zorgen voor de verbranding van suiker. Het zijn de
energiefabriekjes van levende organismen.
Een plantencel heeft naast mitochondriën ook chloroplasten of bladgroenkorrels.
Dat zijn de organellen die suiker produceren van water en koolstofdioxide met
behulp van zonlicht. De chloroplasten geven de groene kleur aan de plant. Er zijn
in plantencellen ook nog andere kleurstoffen, chromoplasten. Het aantal daarvan
is meestal beperkt. Je ziet het pas als in de herfst de plant de bladgroenstoffen
uit de bladeren terugneemt en er ineens een andere kleur verschijnt, door het
vele groen zag je ze niet eens.
Evolutie is in de biologie de geleidelijke ontwikkeling of verandering in
populaties door variatie in erfelijke eigenschappen en natuurlijke selectie.
Gedurende het bestaan van de aarde zijn soorten ontstaan en soorten
verdwenen. In gesteenten van 230 tot 65 miljoen jaar oud zijn fossielen
gevonden van dieren die we dino’s noemen.
De erfelijke eigenschappen van een organisme krijgt een individu van zijn ouders.
Ze zijn opgeborgen in de genen, het DNA. Verandering in genen, mutaties, bij
individuen, kunnen ervoor zorgen dat een deel van de nakomelingen de nieuwe
eigenschappen meekrijgt. Als de nieuwe eigenschappen voordelen oplevert,
zullen nakomelingen een grotere kans hebben op overleving natuurlijke
selectie. Organismen met die voordelige eigenschappen zullen in het gebeid
steeds vaker voorkomen.
Een soort wordt in de biologie gedefinieerd als een groep levende organismen
met voornamelijk dezelfde kenmerken die onderling in staat zijn vruchtbaar
nageslacht te produceren. Als twee organismen niet meer met elkaar kunnen