Week 1
Hoorcollege 1
Statistiek gaat over het werken met cijfers/data. Bij toegepaste statistiek ga je statistiek
gebruiken in echt onderzoek. Hierbij zijn een aantal dingen belangrijk:
1. Een steekproef kiezen.
2. Kijken of de steekproef representatief is.
3. Beschrijvende en inferentiële statistiek.
a. Bij beschrijvende statistiek beschrijf je je data. Je beschrijft wat je ziet in de
gegevens. Bij de beschrijvende statistiek zijn er 3 dimensies van belang:
i. Centrale tendens: gemiddelde, modus en mediaan.
ii. Verspreiding: standaardafwijking, variantie en interkwartielafstand.
iii. (Relatieve) positie: percentiel en kwartiel.
b. Bij inferentiële statistiek ga je proberen iets te zeggen over de populatie op
basis van de je steekproef. Je gebruikt de gegevens om conclusies te trekken of
voorspellingen te doen.
4. Meetniveaus en soorten variabelen.
a. NOIR:
i. Nominaal: categorieën
zonder volgorde.
ii. Ordinaal: categorieën met
volgorde.
iii. Interval: het verschil tussen
de waarden is even groot en het zijn getallen zonder echt nulpunt.
iv. Ratio: getallen met een echt nulpunt en gelijke afstand.
5. De juiste statistische analyse kiezen die past bij je onderzoeksvraag.
6. Experimenteel (bewust iets veranderen) of niet-experimenteel onderzoek (niks
veranderen).
,De methoden zijn eigenlijk het
design van je onderzoek en statistiek
is je gereedschap. Je kiest de juiste
statistische analyse.
Regression to the mean: extreme
scores worden bij herhaald testen
minder extreem. Zo geloven
onderzoekers en patiënten dat
nutteloze testen werken.
Statistiek: de wetenschap van het verzamelen, ordenen en interpreteren van numerieke feiten
die we data noemen.
Je gebruikt statistiek vooral voor 3 dingen:
1. Onderzoek ontwerpen.
2. Gegevens beschrijven (kijken naar je gegevens en overzichtelijk maken).
3. Conclusies trekken.
Afb.: betrouwbaarheid gaat over hoe nauwkeurig je iets meet, dus als jij een test meerdere
keren uitvoert bij een deelnemer, komt daar dan de hele tijd een beetje dezelfde score uit. Bij
validiteit gaat het over wat je meet ook echt is wat je wil meten.
Een variabele is iets wat je meet in onderzoek en wat per persoon kan verschillen.
Je hebt verschillende soorten variabelen:
- Gedragsvariabele: dit gaat over het gedrag dat iemand laat zien.
- Stimulusvariabele: dit gaat over iets wat je aanbiedt of verandert in het onderzoek.
- Proefpersoonvariabele: dit zijn kenmerken van de persoon zelf.
- Fysiologische variabele: dit gaat over lichamelijke metingen.
Dan heb je het bereik. Dit zijn de waarden die variabelen aan kunnen nemen. Dit kan discreet
zijn. Dit zijn waarden die je niet verder kunt opdelen aan vaak worden weergegeven in hele
,getallen (aantal broers/zussen). Dan heb je nog continu. Dit zijn waarden die je wel verder kan
opdelen (lichaamslengte).
Afb.: het antwoord is hierbij ook discreet, omdat je als respondent maar in 1 groep kan vallen.
Je kan niet tussen 2 groepen in vallen.
, Afb.: het goede antwoord is ‘neemt af als het waarschijnlijkheidsniveau afneemt’. Het
waarschijnlijkheidsniveau betekent hier hoe zeker je wilt zijn. Bij 95%
betrouwbaarheidsinterval wil je heel zeker zijn en is je interval vaak wat breder. Bij een 90%
betrouwbaarheidsinterval neem je iets minder zekerheid en wordt je interval smaller. Je vraagt
dus minder zekerheid en dus wordt je interval smaller.