1. Diversiteit & sociale identiteiten..................................................................................................................................2
1.1 Diversiteit & sociale identiteit................................................................................................................................2
2. Kruispuntdenken.........................................................................................................................................................3
3. Intersectionaliteit zie begrippenlijst 4. Sociale identiteit.............................................................................................4
5. Diversiteit, communicatie en sociaal dialoog...............................................................................................................5
5. Sociale representaties..................................................................................................................................................5
6. Sociale identiteitsconflicten.........................................................................................................................................6
6. Inclusief taalgebruik.....................................................................................................................................................6
6. Syllabus tekst 2: De Incomplete stijlgids......................................................................................................................7
7. Het vreemde ontmoeten.............................................................................................................................................8
8. Interculturele communicatie en interculturele gespreksvoering.................................................................................9
9. Cultuur in de brede en in de enge betekenis van het woord.......................................................................................9
10. Achtergrond kennis i.v.m. etnische en nationale culturen.......................................................................................10
10.1 Nationale en etnische cultuur............................................................................................................................10
10.2 Religie................................................................................................................................................................10
10.3 Etniciteit/ etnische cultuur en nationaliteit/ nationale cultuur.........................................................................11
10.4 Pinto: F- en G- culturen (syllabus tekst 3)..........................................................................................................11
10.5 Culturele dimensies van Hofstede (syllabus, tekst 4).........................................................................................12
11. De culturalistische benadering van interculturele gespreksvoering.........................................................................12
Superdiversiteit.........................................................................................................................................................14
12. Racisme verwondt...................................................................................................................................................15
Deel 3: Reageren op verhalen van racisme................................................................................................................18
13. Sociale professionals in een context van superdiversiteit........................................................................................18
15. Optimale dienstverlening zonder discriminatie – UNIA...........................................................................................23
16. Begrippenlijst...........................................................................................................................................................29
1
, Diversiteit
1. Diversiteit & sociale identiteiten
Diversiteit = Gaat over (omgaan met) verschillen tussen mensen
1.1 Diversiteit & sociale identiteit
Ieder individu kan beschouwd worden als een ‘sociale identiteit’.
Iedereen heeft een sociale identiteit, het is niet eenduidig te bepalen. Hoe we onszelf zien staat niet los van de
externe blik en omdat alles wat we zijn afhankelijk is van de context.
Eerste weken stage nog niet het voortouw nemen in een groepsvergadering. Na enkele weken wel omdat de expertise
van de ortho bril dan meer naar voren komt.
Sociale identiteit is dynamisch, het is afhankelijk van de context maar tegelijkertijd heeft het ook te maken met de
blik van de ander.
Heeft betrekking op de vraag hoe iemand in relatie tot de sociale omgeving wordt gedefinieerd.
Je bent ‘jong’ omdat er mensen zijn die ‘oud’ zijn, je bent een man, maar geen vrouw (binair?),…
Kruispuntdenken/ intersectioneel denken/ caleidoscopisch denken
= benadering die onderzoekt hoe verschillende aspecten van iemands identiteit (zoals gender, etniciteit, klasse,
seksualiteit en leeftijd) elkaar beïnvloeden en samen vormen van ongelijkheid of privilege creëren.
Ieder individu kenmerkt zich door een meervoudige identiteit
→ Bestaande uit sociale deelidentiteiten omdat je tot verschillende ‘collectieven’ behoort (zeker cultuur: religie,
gender,…)
→ multicollectiviteit of multiculturaliteit
= combinatie van verschillende identiteiten die ontstaan doordat ze deel uitmaken van meerdere sociale groepen of
‘collectieven’
Elk collectief wordt gekenmerkt door…
- Homogeniteit: wat leden met elkaar delen en waarin ze onderscheiden van andere collectieven
- Heterogeniteit: er is interne verscheidenheid binnen een collectief (bv. Psychische, politieke,… verschillen)
Verschillende sociale identiteiten: 14 assen van identiteitsvorming (Helma Lutz)
Verblijfsstatuut Gezondheid Religie Leeftijd Bezit Cultuur Noord-Zuid/
Oost-West
Klasse Maatschappelijke Nationaliteit Etniciteit Seksuele Geslacht Huidskleur
ontwikkeling oriëntatie
Sociale deelidentiteiten: veelkleurig, veelvormig en bewegend mozaïek
→ Dynamisch karakter: er doen zich voortdurend veranderingen voor in en tussen de sociale deelidentiteiten
(‘tussen’ omdat afhankelijk van de context bepaalde deelidentiteiten meer op de voorgrond kunnen staan dan
andere)
bv. Vrouw is leraal, moeder en Turks. Op het werk staat haar rol als leraar centraal. Thuis = moeder,…)
2
,Verhouding persoon cultuur
Figuur stelt ontmoeting tussen 3 mensen uit totaal
verschillende culturen voor.
A: Indonesische jonge vrouw
B: Jongeman uit Congo
C: Jongeman uit eeuwenoude Vlaamse familie
Niveau 1: Menselijke natuur
Beseffen dat ze het menszijn met elkaar delen
We zijn allemaal mens, elke mens wilt bescherming, in zijn primaire behoeften voorzien worden, herkent
verschillende basisemoties.
Zelfde universele basisbehoeften, basisemoties en basisvermogens
Niveau 2: Culturen
Hoe mensen omgaan met basisemoties & basisvermogens, en uiting geven aan hun basisbehoeften, is
aangeleerd.
Gaat niet enkel over etniciteit & nationaliteit, kan ook samenhangen met sekse, leeftijd, religie, seksuele
voorkeur,…
Niveau 3: Persoonlijkheden
Communicatie tussen personen spelen zich hier af
‘Niet culturen, maar mensen ontmoeten elkaar’. We ontmoeten niet enkel vertegenwoordigers van een
cultuur, maar unieke individuen met eigen ervaringen, gevoelens & perspectieven.
Wie handelt er, de persoon of de cultuur?
Vader die kind slaagt zegt dat dat in hun cultuur zit, dat is niet zo. Wie slaat er? Persoon of cultuur?
Persoon
2. Kruispuntdenken
Verschillende sociale deelidentiteiten beïnvloeden elkaar onderling
- Om situaties, mogelijkheden/ kansen, moeilijkheden, uitdagingen goed te kunnen begrijpen moeten we
kijken naar de kruispunten van sociale deelidentiteiten (SDI)
- SDI zijn machtsgeladen
- Sommige kruispunten bieder meer/minder kansen, zijn gevoeliger voor sociale uitsluitingen of
discriminatie (‘kwetsbare kruispunten’)
Praktijktool 1:
- Zoek naar verbinding op niveau van de sociale deelidentiteiten (allebei moeder; belangrijk bij opbouw van
vertrouwens- en werkrelatie)
- Focus bij client op meerdere sociale deelidentiteiten (Naast moslim, ook papa en Antwerpenaar)
- Heb oog voor ‘kwetsbare kruispunten’
Praktijktool: Methodiek ‘GLASSWERFF’
3
, Identiteit as Inhoud Dominante norm
Gezondheidstoestand gezond, fysieke/mentale beperkingen ... gezond zijn
Leeftijd jong, oud 30-ers en 40-ers
Arbeidssituatie in loondienst, zelfstandig, thuiswerkend, op werkende tweeverdieners
pensioen, werkloos ...
Sekse & seksuele oriëntatie man, vrouw, transgender man
(sekusele identiteit hetero, holebi hetero
Scholingsgraad laagopgeleid, hoogopgeleid, ... hoogopgeleid
Woonsituatie huurder, eigenaar, appartement, huis, resident in eigenaar v/e huis
verzorgingstehuis, ...
Etnisch-cultureel ‘autochtoon’, ‘allochtoon’, Vlaming, Turk, ‘autochtoon’ en blank
Marokkaan, ...
Religie/levensbeschouwing niet-gelovig, socialist, christen, ecologist, moslim, ... ‘secularisme’, ‘liberalisme’, ‘humanisme’,
‘individualisme’ en vooruitgangsdenken
Familiesituatie alleenstaande, ongehuwde moeder, klassiek gezin, moeder, vader, 2 kids
groot gezin, ...
Financiële situatie middenklasse, rijk, kansarm, uitkering, verschillende middenklasse
eigendommen, leningen, schulden, ...
3. Intersectionaliteit zie begrippenlijst 4. Sociale identiteit
‘WIE BEN JE,’ kan op verschillende manieren worden beantwoord
Verwijzing naar:
Objectief sociaal feit (onafhankelijk van de persoon); de ‘sociale groep’
Subjectief identiteitsgevoel
Verwijzing naar een bepaalde hiërarchie van deelidentiteiten
→ Je wordt niet met 1 identiteit geboren; je identiteit vormt en ondergaat veranderingen (dynamisch karakter)
→ Identiteitsvorming is belangrijk want komt tegemoet aan de menselijke behoefte aan
Organisatie, ordening en houvast
Sociale erkenning
Affectieve bindingen met sociale omgeving
→ Je kiest je identiteit niet zelf; de sociale omgeving is bij je identiteitsvorming doorslaggevend.
→ Je (sociale) ID is een synthese van jouw eigen kijk op jezelf en van jouw kijk op de kijk van de anderen op jou.
Bv je ziet jezelf als behulpzaam persoon (jouw eigen kijk op jezelf). Maar mensen om je heen je vaak complimenteren omdat
je altijd klaarstaat om te helpen (jouw kijk op hoe anderen jou zien). Je (sociale) identiteit wordt dan gevormd door die
combinatie: je ziet jezelf als behulpzaam, en je denkt dat anderen je ook zo zien, wat jouw identiteit versterkt.
Hiërarchie van sociale deelidentiteiten
… staat niet vast. Varieert afhankelijk van: persoon, context, moment,…
… wordt door een persoon niet in zijn eentje bepaald
Er wordt voortdurend onderhandeld over sociale deelidentiteiten
o Sociale representaties spelen hierbij een belangrijke rol
Psychologisch kunnen mensen veel kanten uit; sociaal gezien is hun vrijheid beperkt
4