SOCIOLOGIE
= studie van evolutie van maatschappelijke patronen en structuren en daarbij horend sociaal handelen
(handelen in de samenleving)
▪ Interesse in objectieve eigenschappen
▪ Studie v/d samenleving als geheel en groepen anderen
▪ Ook historische evoluties (bv. feminisme)
Basisvragen:
1. Hoe geordend samenleven mogelijk?
2. Hoe werkt het samenleven door in individuele levens?
3. In wat voor samenleving leven zij vandaag ( en hoe verschilt die van andere)?
Meer kansen / privileges Minder kansen / privileges
- Belgische nationaliteit - gezondheidsproblemen
- Nederlands talig - extra shift/bijwerken
- seksuele voorkeuren -…
Ouders met diploma (boeken in huis)
- stabiele familiestatus
Intersectionaliteit/kruispuntdenken
- verschillende dimensies/lagen die elkaar kruisen
▪ o.a. ras, etniciteit, sociaaleconomische klasse, gender, religie, neurologische eigenschappen,..
- zegt iets over structuren van macht en privilege in de samenleving
▪ elke dimensie: onderhevig aan machtsstructuren ..
▪ bv. witte vrouw op de werkvloer- seksisme of discriminatie o.a genderongelijkheid
▪ bv. zwarte man- racisme door vooroordelen of discriminatie
▪ bv. zwarte vrouw kan op beide domeinen discriminatie ervaren
- Je kan je positie niet altijd zelf kiezen, soms vanuit opvoeding en omgeving
- Sommige posities dynamisch (veranderlijk in tijd en plaats)
1. structuur en cultuur
Elke samenleving geeft een bepaalde sociale structuur en een overkoepelende cultuur
! Zie extra notitie blad: casus Eva !
Sociale structuur
= verzameling van geordende relaties tussen personen, groepen en instituties die een samenleving
vormen = sociale orde
,- normen spelen grote rol → normeren het samenleven
- rangschikking van sociale positie ➔ sociale ongelijkheid :
▪ objectieve werkelijkheid
= ongelijke verdeling van schaarse, algemeen gewaardeerde zaken (economisch, cultureel en sociaal
kapitaal)
- inkomen, beroep diploma
- sociale/maatschappelijke ladder
▪ subjectieve ongelijkheid
= ongelijke waardering en behandeling van mensen o.b.v. sociale positie en levensstijl (status)
- sociaal aangezien, prestige, status
- statusladder/prestigeladder
(meestal lopen ze samen)
- ongelijkheid komt tot uiting in sociale stratificatie = opdeling van de samenleving in verschillende lagen
▪ elke laag bestaat uit min of meer gelijkwaardige sociale positie
▪ onderling is er ongelijkheid tussen de lagen
▪ onderscheid o.b.v. bezit, kennis, afkomst, gender of leeftijd
▪ = universeel fenomeen maar verschil van cultuur tot cultuur en van periode in de geschiedenis
- mate van ongelijkheid afhankelijk van mate van sociale mobiliteit = de mogelijkheid om te bewegen
tussen verschillende sociale posities
▪ Intragenerationeel (binnen 1 generatie) of intergenerationeel (nakomelingen wisselen op
sociale ladder)
▪ Niet voor iedereen even gemakkelijk om te bewegen van een lage naar een hoge laag of
omgekeerd
Cultuur heeft verschillende cultuurcomponenten eigen aan de samenleving :
- Recht (hoe zorgen ied. weet wat het juiste is), godsdienst, waarden en normen, kunst, rituelen, taal
- overkoepelde cultuur/Dominante cultuur
▪ Toonaangevend cultuurpatroon binnen een breder sociaal verband (vb. Belgische samenleving)
- variaties
▪ Heel miniem tot extreem onderscheiden van dominante cultuur
Daarnaast heb je..
- sub- en tegenculturen
SUBCULTUUR TEGENCULTUUR
≠ dominante cultuur (deels) Verwerpt dominante cultuur
Aanvaard door maatschappij Niet aanvaard door maatschappij
Vb. skaters, punkers, emos Vb. Hippies, dievenbendes
,Cultuuroverdracht
= het leerproces in een maatschappij waarbij de waarden, normen, kennis, gewoonten en waardigheden
doorgegeven (aangeleerd) worden om goed te kunnen functioneren in de maatschappij
2. Socialisatie
= het levenslange proces waarbij een individu bewust en onbewust waarden, normen, gewoonten en
cultuurkenmerken van een groep aanleert en internaliseert om goed te kunnen functioneren in de
maatschappij
- Maatschappelijke evolutie: voortdurend maar geleidelijk
▪ Nieuwe leden leren van kindsaf waarden en normen
▪ Nieuwkomers leren zich aanpassen aan de nieuwe maatschappij
▪ ➔ continuïteit van de maatschappij gegarandeerd
3 vormen socialisatie:
▪ Primaire socialisatie: ouders, gezin (vb. dank u zeggen, bidden voor het eten..)
▪ Secundaire socialisatie: school, collega’s, vriendengroepen
▪ Tertiaire socialisatie: media
- 2 manieren van socialisatie:
▪ Enculturatie = socialisatie van mensen binnen de maatschappij waarin ze geboren zijn. Dit
proces begint vanaf de geboorte en duurt levenslang. Het gebeurt via observatie van en in
interactie met anderen uit de omgeving
▪ Acculturatie =cultuuroverdracht op mensen die al in een andere cultuur zijn gevormd.
- Continu proces = in alle levensfase bij het innemen van nieuwe sociale posities (bv. nieuwe job)
Mead (19de-20ste eeuw )
- Amerikaans socioloog
- 2 fasen in het sociale leerproces van kinderen:
1. PLAY-stadium
- 3-4 jaar
- Role-taking = via het imiteren van rollen van anderen (significant others)
- Ontwikkeling van normbesef over wat wel en niet mag, en hoe zich te gedragen in situaties
Vb. kind speelt doktertje, imiteert de dokter, leert zo de normen en is hier nog puur alleen mee bezig
2. GAME-stadium
- Vanaf 5 jaar
- Taking the role of the other = leren de rollen van iedereen bij een bepaalde activiteit in te nemen en
zien zichzelf als deel van de groep of de bredere maatschappij (generalized others)
- Inzicht in groepsleven, zelfkennis en internalisering van waarden en normen
Vb. mama-papatje spelen
, - Generalized other = de verwachtingen van de maatschappij en de instituties die zorgen voor de
cultuuroverdracht (gezin, peergroup, school etc.)
- ME: gesocialiseerde deel = rollen aangeleerd en geïnternaliseerd
- ZELF: persoonlijkheid gevormd door interactgie ‘me’,’I, en maatschappij
- I: niet-gesocialiseerde deel=impulsief, creatief, spontaan
Durkheim (19de-20ste eeuw)
▪ Franse socioloog
▪ Zag onderwijs als een belangrijke socialisator voor de dominante cultuur
- Georganiseerd = doelgericht
- Geprofessionaliseerd = beroepskrachten
2 functies voor het onderwijs:
- Algemeen socialisatie van individuen → functioneren in maatschappij
je moet kunnen praten, samenwerken met anderen, respect tonen, beleefd zijn, goede sollicitatiebrief kunnen
schrijven, leren kritisch zijn naar berichten die je ontvangt (iets wat iedereen moet kunnen)
- Specifieke cultuuroverdracht in functie van lidmaatschap in bepaalde groep
Vb. humane studeren: meer geleerd om te kijken naar de samenleving, nadenken over kritische zaken →
specifieke dingen geleerd naar wat je gestudeerd hebt (specifiek binnen u beroepsgroep)
- Het onderwijs zorgt zo mee voor de reproductie van de bestaande orde