ECONOMIE EN RECHTSECONOMIE
2025-2026
CAMI VAN HEESTER
1
, MICRO-ECONOMIE
HOOFDSTUK 1. WAT IS ECONOMIE? OBJECT, DOEL EN METHODE
H1.1 INLEIDING
Economische wetenschap: geeft inzicht in menselijk gedrag, in de maatschappelijke organisatie (humane
wetenschap) vanuit een specifieke invalshoek en economische relaties.
→ Beter beslissingen nemen in het dagelijks leven: vb. budgetten beheren
→ Problemen van de wereld beter te gebruiken: vb. hoge inflatie, hoe veroorzaakt?
→ Beter beleid te kunnen voeren: vb. hoge inflatie proberen voorkomen
H1.2: HET FUNDAMENTEEL ECONOMISCH PROBLEEM: VEELVULDIGE BEHOEFTEN VS. SCHAARSE MIDDEL
Spanning behoeften en middelen: keuze maken, er zijn enorm veel behoeften maar niet voldoende middelen
(= schaarste). Bij het maken van een keuze geef je iets anders op, goed afwegen welke keuze je gaat maken (→
via opportuniteitskost).
→ Veelvuldige behoeften: vb. eten, medische hulp, …
→ Beperkte middelen: vb. geld, …
Economische goederen:
- Nuttig: vb. afval ≠ economisch goed
- Schaars (vb. broodje kaas) vs. vrij ≠ geen economisch goed (vb. lucht)
- Alternatief aanwendbaar: kunnen voor verschillende zaken gebruikt worden
- Zowel materieel (vb. smartphone, eten, …) als immaterieel (vb. medische hulp, kapper, …)
Opportuniteitskost: waarde van het beste alternatief dat men opgeeft door deze keuze te maken.
Vb. studeren: tijd, geld, … avondje cinema: ong. 16 euro + 3 uur tijd die je had kunnen gebruiken om te werken.
Economie: “een sociale wetenschap die tot voorwerp heeft het beheer van schaarse middelen”
3 grote problemen in economie:
→ Allocatie (toewijzing) van middelen: wat, hoeveel en hoe produceren
→ Verdeling (distributie): voor wie produceren
→ Nastreven van de volledige aanwending: stabilisatieprobleem = verspilling vermijden
Micro-economie: gaat na hoe Macro-economie: Bekijkt het
individuen en bedrijven (individuele geaggregeerde niveau en bestudeert
economische agenten) beslissingen vraagstukken die de economie als geheel
nemen. Heeft vnl betrekking op beïnvloeden. Heeft vnl betrekking op het
allocatie- en distributieprobleem stabilisatieprobleem
2
, H1.3. HET PRODUCTIEPROCES
Productie: alle activiteiten waardoor goederen en diensten tot stand worden gebracht (= economische goederen)
en op een gepaste tijd en plaats ter beschikking worden gesteld van consumenten door
inzet van schaarse middelen (= productiefactoren: arbeid, natuur en kapitaal - ondernemersinitiatief)
Consumptiegoederen: alle producten die worden gebruikt door huishoudens,
bedrijven en maatschappelijke instellingen (vb. brood, pen, …)
Kapitaalgoederen: een goed waarmee een onderneming zijn productie en
diensten kunnen uitvoeren (vb. vrachtwagen, machine, …)
De productiefactoren
→ Arbeid (L)
→ Natuur (N) eigenlijke productiefactoren
→ Kapitaal (K)
→ Ondernemersiniatief: risico dat een ondernemer durft te nemen, creativiteit van de ondernemer
= moeilijk om een waarde op te kleven (buiten beschouwing laten)
Productiefunctie: technische relatie tussen de hoeveelheid productiefactoren
(inputs) en de maximale hoeveelheid economische goederen (output) die men
daarmee kan produceren.
X = f (L, N, K)
X = hoeveelheid output (hoeveel geproduceerde goederen)
L = hoeveelheid arbeid (labour)
N = hoeveelheid natuur
K = hoeveelheid kapitaal
f = een bepaalde functionele vorm
geen rekening houden met ondernemingsinitiatief en natuur in oefeningen (te moeilijk)
Marginaal product: de verandering in het outputniveau ten gevolge van een kleine verandering in de inzet van arbeid.
Veronderstelling: hoeveelheid natuur (N) en hoeveelheid kapitaal (K) zijn constant
Productie graan Productie kleding
Hoeveelheid arbeid (L) Hoeveelheid graan (X) Hoeveelheid arbeid (L) Hoeveelheid kleding (X)
1 5 1 1
2 9 2 2
3 12 3 3
4 14 4 4
5 15 5 5
Conclusie: als de hoeveelheid arbeid (input) toeneemt, neemt ook de hoeveelheid graan en kleding (output) toe
= positief verband tussen L en X
Productie graan: bij toename in hoeveelheid arbeid neemt de Productie kleding: bij toename in hoeveelheid arbeid neemt de
hoeveelheid graan niet evenredig toe hoeveelheid kleding evenredig toe
(sprong 1-2: + 4, sprong 2-3: +3, …) (tussen elke sprong toename van 1)
= afnemend marginaal product = constant marginaal product
(komt in de realiteit zelden voor)
, H1.4 PRODUCTIEMOGELIJKHEDENCURVE VAN EEN LAND
Productiemogelijkhedencurve: geeft alle combinaties van goederen en diensten die kunnen geproduceerd
worden bij volledige aanwending van de beschikbare productiefactoren
Illustreert:
→ Begrippen: schaarste, opportuniteitskost, keuzeprobleem
→ Beheersproblemen: volledige aanwending van middelen, allocatie van middelen
Productie graan Productie kleding
Hoeveelheid Hoeveelheid Hoeveelheid Hoeveelheid Hoeveelheid graan Hoeveelheid kleding
arbeid graan arbeid kleding 15 0
0 0 0 0 14 1
1 5 1 1 12 2
2 9 2 2 9 3
3 12 3 3 5 4
4 14 4 4 0 5
5 15 5 5
Verschillende mogelijkheden van een land om arbeid te verdelen
Vb. 2 eenheden arbeid graan = 9 eenheden graan, nog 3 eenheden arbeid = 3 eenheden kleding
Hoeveelheid Hoeveelheid
Productiemogelijkheid
graan kleding
A 15 0
B 14 1
C 12 2
D 9 3
E 5 4
F 0 5
Productiemogelijkhedencurve
Land moet punt kiezen op de curve
→ Onder curve: inefficiënte combinatie = hetgeen je geproduceerd hebben verspillen
→ Boven curve: economisch niet haalbaar = je gaat meer produceren dan je zelf aan kan
Wat is de opportuniteitskost van kleding?
1 eenheid kleding: 1 eenheid arbeid
5 eenheden arbeid: 15 eenheden graan, maar omdat we maar 4 eenheden hebben kunnen we maar 14 eenheden graan
maken. We verliezen dus als het ware 1 eenheid arbeid
Verschuiving productiemogelijkhedencurve naar buiten/boven door een verandering in:
- Arbeid (vb. toename in arbeiders door verhoging pensioenleeftijd)
- Productiviteit (vb. snellere en betere machines)
- Technologische vooruitgang (vb. opkomst AI)
- Specialisatie en arbeidsverdeling
H1.6 CENTRALE PLANNING VERSUS HET MARKTMECHANISME
Hoe wordt het allocatie- en distributieprobleem opgelost?
- Centrale planning (centraal geleide economie): overheid stelt plan op (welke en hoeveel goederen gaan er
geproduceerd worden en hoe?) = communisme
- Markt (markteconomie): vrije prijsvorming brengt wensen van vragers en aanbieders samen en stuurt. De overheid
gaat niet ingrijpen. Onzichtbare hand (A. Smith): overheidsinmenging is niet nodig de economie bevat een onzichtbare
hand die zichzelf stuurt (zorgt ervoor dat economie optimaal werkt)
- Markt en overheid (gemengde economie): marktmechanisme met overheidscorrectie
1