KATRIEN LAGROU
DEEL 1: FUNGI EN FUNGALE INFECTIES
FUNGI
ALGEMEEN
Spectrum
o Oppervlakkig: huid, haar, nagels heel frequent
o Allergische syndromen
o Invasief veel minder frequent, maar nog steeds heel hoge mortaliteit
(vb: invasieve aspergillosis)
Domeinen van het leven
o Fungi < EUKARYOTEN
o gelijken dus veel meer op mens dan bacteriën
o Geen AB gebruiken ter behandeling
o Wel anti-fungale middelen gebruiken
2 vormen
o Gisten
Iets groter dan bacteriën
Op plaat in cultuur: als glanzende kolonies
gelijkaardig aan bacteriën
o filamenteuze fungi
Mycelium = geheel van schimmeldraden
Hypha = schimmeldraden zie je op
beschimmeld brood
Houden van: vochtige warme atmosfeer
EIGENSCHAPPEN
Celmembraan
o Fosfolipiden dubbelmembraan
o Ergosterol (= tegenhanger van humane cholesterol) bevat sterolen
Celwand
o Chitine = polymeer van N-acetyl glucosamine
o Glucaan = polymeer van glucose
ß-1-3-glucan
o Mannaan
o Kapsel
Bij cryptococcen
, Sporen: voor voortplanting (ook bij bacteriën, maar is niet voor voortplanting)
In labo gebruikt ter identificatie van fungi
Metabolisme: alleen heterotroof = gebruikmaken van bestanddelen uit
omgeving, via secretie van enzymen die organische moleculen afbreken
VOORTPLANTING
2 vormen: hierdoor veel verschillende namen voor elke vorm, maar zijn nog steeds
dezelfde organismen
ASEKSUEEL
= leidt tot volledig genetisch identieke nakomelingen
Gisten: knopvorming (= budding: vermenigvuldiging van celkern waarrond
cytoplasma ontstaat en de knopjes volwaardige cellen worden)
Filamenteuze fungi
o Afzonderlijk gevormd
Sporen komen één voor één vrij in omgeving (ademen we ook in)
o Gevormd in compartiment
Sporen samen in één compartiment, die openbarst
Sporen komen in één keer vrij in omgeving
In labo: wordt gebruikt als microscopisch identificatiemerk
SEKSUEEL
= leidt tot nakomelingen waarbij genetisch materiaal werd uitgewisseld
Door 3 opeenvolgende processen
o Plasmogamie = haploïde nucleus van donorcel (+) dringt binnen in
cytoplasma van recipiënt cel (-)