oefenvormen
Bewegingsvormen
Definitie: Basisvormen van bewegen die vaak een herkenbare
structuur hebben en aansluiten bij natuurlijke bewegingen.
Doel: Ontwikkeling van motorische basisvaardigheden.
Kenmerk: Het gaat om een basisbeweging die in verschillende
contexten (sport, spel of therapie) kan worden toegepast.
Voorbeelden: Lopen (wandelen, joggen), springen (hinkelen,
touwtjespringen), kruipen, klimmen, rollen, zwemmen, balanceren,
werpen en vangen.
Spelvormen
Definitie: Activiteiten met een speels karakter, vaak
gereglementeerd door regels en elementen van competitie of
samenwerking.
Doel: Naast fysieke activiteit ligt de focus op plezier (hoge
motivatiewaarde), sociale interacties (groepsgebeuren),
cognitieve/tactische uitdaging en zelfverkenning (het ontdekken
van de eigen mogelijkheden).
Kenmerk: Het integrale individu wordt betrokken, waarbij zowel
mentale als motorische functies worden aangesproken.
Voorbeelden: Tikkertje, balspelen, estafettes, kleine spelletjes
(zoals tienbal of 1-2-3 piano).
Oefenvormen
Definitie: Concrete, gestructureerde oefeningen met een specifiek
trainings- of revalidatiedoel.
Doel: Het verbeteren van motorische eigenschappen zoals kracht,
lenigheid, coördinatie, uithouding of het herstellen van functies.
Kenmerk: Een oefenvorm is een praktische toepassing van een
beweegvorm of bewegingscomponent, waarbij vaak gewerkt wordt
met een specifieke intensiteit, duur of techniek.
Voorbeelden: Squats, rekoefeningen (stretching), core stability,
evenwichtsoefeningen (op een BOSU-bal), intervaltraining of
plyometrie
,Inzicht in de structuur van de bewegingspelen
Spel heeft verschillende betekenissen:
Play = existentieel levensfenomeen
Game = objectivatie van ‘spel’ en ‘spelen’
o Criteria:
Wanneer spel aan zakelijke regels wordt onderworpen
Wanneer spel regelmatig voorkomt
o De spelvorm krijgt zelfstandigheid toegemeten en wordt onder
ongeveer dezelfde spelregels gereglementeerd
Vb. tienbal
Match = concrete verschijning van ‘het spel’ = een wedstrijd,
sportspelen
o Georganiseerde wedstrijd, twee of meer tegenstanders,
vastgelegde regels
o Doel: winnaar of resultaat vaststellen
Vb. Basketbal, voetbal, …
‘Competitief’ spelen = mogelijkheid om direct prestaties te vergelijken als
om vergelijkingen te maken met een objectieve standaard (records)
Dit is een sociaal gebeuren
Spelen waarbij beide partijen
o Elkaar op hetzelfde ogenblik bekampen (scorebord)
o Niet op hetzelfde moment (vb. schaken)
Spelregels hebben een constituerende functie winnen is belangrijk
Aanvullingen op de structuur van bewegingsspelen
Wetenschappelijke context: Het "spelen" wordt vanuit
verschillende disciplines bestudeerd, wat verklaart waarom deze
opdeling (Play, Game, Match) belangrijk is:
o Psychotherapie: Gebruikt de therapeutische werking van
spel bij ontwikkelingsstoornissen.
o Sociologie: Bekijkt spel als een sociaal ritueel en onderdeel
van de cultuur.
o Ontwikkelingspsychologie: Ziet spel als middel voor
cognitieve en emotionele groei.
o Didactiek: Gebruikt spel specifiek als leerstrategie
(bewegingsopvoeding).
, Condities voor spel: Om een spel succesvol te laten verlopen,
moet er rekening gehouden worden met het motorisch en
psychisch niveau van de deelnemer:
o Personen met een leerstoornis hebben meer tijd nodig om een
spel te leren.
o Bij ouderen moet gelet worden op de fysieke en cognitieve
belastbaarheid.
Rol van de spelregels: In een 'Match' of competitieve vorm
hebben regels een constituerende functie. Dit betekent dat de
regels niet alleen het verloop bepalen, maar ook het spel zelf
creëren en winnen als hoofddoel stellen.
Een bewegingsspel moeilijke en makkelijker kunnen maken
Om een bewegingsspel op een methodische manier moeilijker of
makkelijker te maken, kun je gebruikmaken van verschillende didactische
modellen en strategieën. Het hoofddoel is om de activiteit zo aan te
passen dat elke deelnemer, ongeacht het vaardigheidsniveau,
succeservaringen kan opdoen en optimaal kan leren.
1. Het STEPS-model
Het STEPS-model is het meest gebruikte werkinstrument om
sportactiviteiten systematisch aan te passen. Het staat voor:
Ruimte (Space): Vergroot of verklein het speelveld. Een kleiner
veld verhoogt de intensiteit, terwijl een groter veld meer tijd kan
geven voor besluitvorming. Je kunt ook werken met specifieke zones
voor verschillende vaardigheidsniveaus.
Taak (Task): Splits complexe oefeningen op in zinvolle
deelcomponenten. Laat sporters bijvoorbeeld eerst een vaardigheid
individueel of in duo oefenen voordat ze deze in een wedstrijdvorm
moeten toepassen.
Materiaal (Equipment): Pas het materiaal aan de mogelijkheden
van de atleet aan. Gebruik bijvoorbeeld een grotere of zachtere bal
(zoals een foambal) om vangen of werpen te vergemakkelijken. Ook
het verlagen van een net (bijv. badminton) verhoogt de
succeservaring.
Mensen (People): Deel groepen in op basis van
vaardigheidsniveau. Je kunt teams ook ongelijk maken (bijv. een
extra speler voor het zwakkere team) om de balans te herstellen en
inclusie te bevorderen.