Opgave 1 – maak de volgende reactievergelijkingen kloppend – ABC
Tip! Een reactievergelijking heeft altijd deeltjes- én ladingbalans
a) 3 NO3- + 3 H2O + 2 Bi à 3 NO2- + 6 OH- + 2 Bi3+
b) 2 FeS2 + 16 H2O + 7 O2 à 2 FeSO4.7H2O + 2 H2SO4
c) 2 HgI42- + 4 OH- + NH4+ à Hg2ONH2I + 3 H2O + 7 I-
d) CH3COO- + 4 H2O à 4 H2 + 2 HCO3- + H+
e) C6H12O6 + 6 H2O + 24 Fe3+ à 6 CO2 + 24 H+ + 24 Fe2+
f) 13 AlCl3 + 16 (NH4)2CO3 + 12 H2O à Al13O28H24Cl7 + 32 NH4Cl + 16 CO2
Opgave 2- rekenen aan stoffen en oplossingen
a) Bereken de massa van 100 watermoleculen
molecuulmassa=2 x 1,008+16,00=18,016 um=100 x 18,016=1801,6 u
Let op! Eenheid is u
b) bereken het aantal ijzer atomen in 5,0 gram ijzer
5,0
n= =0,090 mol N=0,090 x 6,02 x 1023 =0,54 x 1023 ijzer atomen
55,85
c) Bereken de massa van 3,0 mol ijzer(II)oxide
m=3,0 x 71,844=215,5 g
d) Hoeveel mol is 50,0 gram SO2?
50,0
n= =0,78 mol
64,064
e) Hoeveel moleculen zitten er in 50,0 gram NH 3?
50,0
n= =2,94 mol N=2,94 x 6,02 x 1023=1,77 x 1024 moleculen N H 3
17,031
f) Hoeveel zuurstofatomen zitten er in 10,0 gram H 2O?
10,0
n= =0,56 mol H 2 O ≡0,56 mol O−atomen
18,015
23 23
N=0,56 x 6,02 x 10 =3,36 x 10 O−atomen
g) Hoeveel waterstofatomen zitten er in 5,0 gram NH 3?
5,0
n= =0,293 mol N H 3 ≡0,879 mol H−atomen
17,031
N=0,879 x 6,02 x 1023 =5,29 x 1023 H −atomen
h) Bereken [Cl-] van de oplossing die ontstaat als er 75,0 g NaCl in 1,5 L
water wordt opgelost
, 5 vwo – Chemisch rekenen antwoorden – 2024/2025
75,0
n= =1,28 mol NaCl ≡1,28 mol C l−¿¿¿
58,443
i) Bereken [F-] van de oplossing die ontstaat als er 10,0 mg CaF 2 wordt
opgelost in 250,0 mL water.
10
n= =0,128mmol Ca F 2 ≡ 0,256 mmol F −¿ ¿¿
78,075
j) Hoeveel gram FeO moet er 100,0 mL water worden opgelost om een
oplossing met [Fe2+] = 0,5 M te maken?
n=0,5 x 0,1=0,05 mol F e
2+¿≡ 0,05 mol FeO¿
m=0,05 x 71,844=3,59 g FeO
k) Bereken het massapercentage C in C6H12O6
g g 72,06
M C 6 H 12 O 6=180,16 M =6∗12,01=72,06 massa %= x 100 %=40,0 %
mol C 6 mol 180,16
l) Bereken het volume van 3,5 mol waterstofgas bij p 0 en T=298 K
−2 −2 3
V =3,5 x 2,45 x 10 =7,84 x 10 m
m) Bereken hoeveel koolstofdioxide moleculen zitten in 500 mL CO 2 gas bij p0
en T=298K
0,5∗10−3
n= −2
=0,0213 mol C O 2 N=0,0213∗6,02∗1023=0,13∗1023 C O2 moleculen
2,35∗10
n) Hoeveel mol water zit er in 500,0 mL water?
499
m=0,5∗0,998=0,499 kg=499 gn= =27,7 mol
18,015
o) Wat is volume van 3,0 mol ethanol?
0,1382
m=3,0∗46,069=138,2 g=0,1382 kgV = =0,173 L
0,8
Opgave 3 – reken aan reacties 1
Gegeven is de volgende reactievergelijking:
N2 + 3H2 à 2 NH3
a) Hoeveel gram waterstof reageer er met 10,0 gram stikstof?
10,0
n N 2= =0,357 mol n H 2=0,357∗3=1,071 molmH 2=1,071∗2,016=2,16 g
28,02
b) En hoeveel gram ammoniak ontstaat er dan?