,Oefentoets – alle antwoorden apart einde
57 veel voorkomende tentamenvragen en antwoorden
10 open vragen
Hoofdstuk 1 – Anatomie, fysiologie, pathologie en farmacologie
Vraag 1
Leg uit hoe het renine-angiotensine-aldosteronsysteem (RAAS) de bloeddruk reguleert. Beschrijf
tevens wat het effect is van ACE-remmers op dit systeem en waarom deze geneesmiddelen worden
voorgeschreven.
Vraag 2
Een patiënt met COPD presenteert zich met toenemende benauwdheid en een lage zuurstofsaturatie.
Beschrijf:
de onderliggende pathofysiologie;
welke compensatiemechanismen het lichaam inzet;
welke verpleegkundige observaties prioriteit hebben.
Vraag 3
Leg uit hoe insuline en glucagon samenwerken om de bloedglucosespiegel te reguleren. Verklaar
welke veranderingen optreden bij diabetes mellitus type 2 en welke gevolgen dit heeft voor
verschillende organen.
Vraag 4
Beschrijf het ontstekingsproces vanaf het moment van weefselbeschadiging tot aan het herstel.
Benoem de belangrijkste cellen, mediatoren en klinische verschijnselen.
Vraag 5
Een patiënt gebruikt een combinatie van een lisdiureticum, een bètablokker en een
antistollingsmiddel.
Leg per geneesmiddelengroep uit:
het werkingsmechanisme;
de belangrijkste verpleegkundige aandachtspunten;
welke ernstige bijwerkingen direct actie vereisen.
, Hoofdstuk 2 – Verpleegkundige vaardigheden en klinisch handelen
Vraag 6
Een patiënt wordt plotseling suf en reageert nauwelijks meer tijdens de verpleegkundige zorg.
Beschrijf systematisch welke verpleegkundige handelingen je uitvoert volgens de ABCDE-methodiek
en motiveer iedere stap.
Vraag 7
Tijdens een dienst ontdek je dat een collega een medicatiefout heeft gemaakt waardoor een patiënt
mogelijk een dubbele dosering heeft gekregen.
Beschrijf:
welke acties je direct onderneemt;
hoe je de patiënt bewaakt;
welke vervolgstappen horen bij professioneel verpleegkundig handelen.
Vraag 8
Een oudere patiënt heeft een verhoogd risico op decubitus.
Beschrijf hoe je:
het risico beoordeelt;
preventieve maatregelen toepast;
de effectiviteit van deze maatregelen evalueert.
Vraag 9
Een patiënt ontwikkelt tijdens een bloedtransfusie plotseling koorts, koude rillingen en
kortademigheid.
Beschrijf stap voor stap hoe je als verpleegkundige handelt en motiveer waarom iedere stap
noodzakelijk is.
Vraag 10
Leg uit hoe verpleegkundig redeneren wordt toegepast vanaf de eerste observatie van een patiënt tot
het evalueren van het verpleegplan. Betrek in je antwoord klinisch redeneren, prioriteiten stellen,
rapporteren en multidisciplinaire samenwerking.