woordenschat
aca·de·misch (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord)
1 van, aan, over de universiteit: academisch onderwijs
2 zuiver theoretisch: een academische kwestie
Academisch Nederlands
Casus praktijksituatie
Alternatief keuze
Flexibel meegaand
Arbitrair willekeurig
Componenten delen
Curriculum leerplan
Efficiënt doeltreffend
Intrinsieke inwendige
Reprussie weerslag
Parafraseren samenvatten in eigen woorden
Gescreend doorlichten
Relevant passend
Expliciteren toelicten
Rationeel verstandelijk
Ad valvas Ad via het meldingsbord
Practicum praktijkles
Ex cathedra doceren
Objectief onbevooroordeeld
Subjectief partijdig
Pragmatisch Praktisch en nuttig
Generen Bekomen
Legio Ontelbaar
Triviaal Onbelangrijk
Plausibel Aannemelijk, geloofwaaridg
Deductie Afleiding uit iets
Exposé Uiteenzetting
Poneerde Bracht naar voren
Hypothese Veronderstelling
Sjabloon Grafische voorstelling die herhaardelijk kan worden gebruikt
Constructief Opbouwend, waar je iets aan hebt
Sinecure Gemakkelijk klusje
Essentie Het belangrijkste