TRANSPORT - 10
1. Bespreek de samenstelling van bloed, inclusief de verschillende celtypen
Bloed wordt beschouwd als een bijzondere vorm van bindweefsel.
Het bestaat uit bloedplasma en bloedcellen.
Bloedplasma vormt 55% van het totale bloedvolume en bestaat voornamelijk uit water, met daarin
opgeloste sto=en zoals:
- Anorganische zouten
- Organische sto<en à Aminozuren, vitaminen, hormonen, glucose
- Plasma eiwitten:
o Fibrinogeen: stollingseiwit dat omgezet wordt in fibrine
o Globulinen: transport en afweer
De bloedcellen omvatten rode bloedcellen (erytrocyten), witte bloedcellen (leukocyten), en bloedplaatjes
(trombocyten). De rode bloedcellen vormen 40% van het bloedvolume, de witte bloedcellen en de
bloedplaatjes elk slechts 1%.
De rode bloedcellen of erytrocyten hebben als hoofdfunctie het vervoeren van zuurstof en CO2 dmv het
eiwit hemoglobine dat ze in hun cytoplasma dragen.
Ze hebben een biconcave vorm en hebben bij zoogdieren geen kern, maar kunnen soms wel howell-jolly
bodies bevatten, dit zijn overblijfselen van de kern.
De witte bloedcellen of leukocyten zijn belangrijk voor de afweer tegen vreemde materie.
We hebben mononucleaire leukocyten zonder granula, dit zijn de agranulocyten, namelijk de monocyten en
lymfocyten.
En we hebben polymorfonucleaire leukocyten met granula, dit zijn de granulocyten, namelijk de
neutrofielen, basofielen en eosinofielen.
De trombocyten zijn belangrijk voor de bloedstolling en worden gevormd uit de megakaryocyten.
Trombocyten zijn kleine cytoplasma fragmenten, die bij zoogdieren kernloos zijn. Ze hebben een complexe
structuur met hyalomeer aan de buitenkant en granulomeer aan de binnenkant.
,2. Bespreek de erythrocytopoëse
De erytrocytopoëse is het proces waarbij rode bloedcellen (erytrocyten) worden gevormd in het rode
beenmerg. Dit proces start met de pro-erytroblast.
Deze cel zal een aantal morfologische veranderingen ondergaan vóór ze een rijpe erytrocyt wordt:
• Het volume van de cel neemt af
• De nucleoli verdwijnen
• Het chromatine wordt denser → de kern wordt pyknotisch
• De kern wordt uitgestoten
• Het aantal vrije polyribosomen daalt
→ hierdoor wordt de cel minder basofiel
• stijgende aanmaak van hemoglobine
→ hierdoor wordt de cel meer acidofiel
De cel doorloopt de volgende stadia met de daarbij horende kenmerken:
1. Pro-erytroblast
- Grote kern
- Zeer basofiel cytoplasma door veel polyribosomen en weinig hemoglobine
2. Basofiele erytroblast
- Peri nucleaire halo (witte rand rondom kern)
- Basofiel cytoplasma
3. Polychromatofiele erytroblast
- Nucleoli verdwenen
- Peri nucleaire halo
- Polychromatisch* cytoplasma door aanwezigheid polyribosomen (basofiel) én hemoglobine
(eosinofiel)
*veelkleurig, neemt zowel base als zure kleurstof op door door aanwezigheid basofiele en eosinofiele elementen
4. Orthochromatische erytroblast (normoblast)
- Pyknotische kern (klein, zeer sterk gecondenseert à niet meer actief)
- Eosinofiel cytoplasma (acidofiel)
5. Reticulocyt
- Kern uitgestoten
- Eosinofiel cytoplasma
- Reticulocyten vormen 1% v.d circulerende rode bloedcellen, ze rijpen binnen 24-48u
6. Erytrocyt
- Volwassen rode bloedcel, zonder kern, met vooral hemoglobine in het cytoplasma
(eosinofiel)
,3. Bespreek de granulocytopoëse
De granulocytopoese is het proces waarbij granulocyten worden gevormd in het rode beenmerg. Dit
proces start met de myeloblast. Deze cel zal een aantal morfologische veranderingen ondergaan vóór ze een
rijpe granulocyt wordt:
- Volume van de cel neemt af
- Granula worden gevormd, specifiek voor elk celtype
- Segmentatie van de kern
De cel doorloopt de volgende stadia met de daarbij horende kenmerken:
1. Myeloblast
- Ronde cel, ronde kern
- Granula afwezig
- Licht basofiel cytoplasma
2. Promyelocyt
- Groter dan myeloblast
- Vorming primaire (azurofiele) granula
- Basofieler cytoplasma dan myeloblast
3. Myelocyt (vanaf hier onderscheid tussen de 3)
- Geen nucleoli meer
- Vorming specifieke granula
4. Metamyelocyt
- Boonvormige kern
5. Staafkernige granulocyt
6. Segmentkernige granulocyt
4. Bespreek de trombocytopoëse
De trombocytopoese is het proces waarbij bloedplaatjes gevormd worden in het rode beenmerg. Het proces
start bij de colony forming unit-megakaryocyt, deze cel doorloopt enkele stadia tot megakaryocyt. Uit de
megakaryocyt zullen de bloedplaatjes ontstaan. Bloedplaatjes (bij mammalia) zijn kernloze cytoplasma
fragmenten van de megakaryocyt.
1. CFU-MK
- Licht basofiel cytoplasma
2. Megakaryoblast
- Ondergaat endomitose (deling van enkel de kern binnenin de cel)
3. Promegakaryocyt
- Polyploide, multilobulaire kern
4. Megakaryocyt
- Heterochromatische kernlobben (gecondenseerde kernlobben)
- Demarcatie membranen (waar de trombocyten gaan afsplitsen)
, 5. Bespreek de monocytopoëse
De monocytopoëse is het proces waarbij monocyten gevormd worden in het rode beenmerg. Monocyten zijn
witte bloedcellen of leukocyten zonder granula. De monocyten circuleren kort in het bloed en di=erentieren
daarna tot macrofagen of dendritische cellen in weefsels
Het proces start vanuit de monoblast, die enkele stadia doorloopt tot een rijpe monocyt:
1. Monoblast
2. Promonocyt
3. monocyt
6. bespreek het verschil tussen venen en arteriën
- arterien transporteren het bloed weg van het hart, venen gaan het bloed naar het hart transporteren
- Beide bestaan uit 3 lagen: de tunica intima, tunica media en tunica adventitia
arterien:
- Hebben een dikkere wand
- tunica intima van de arterien hebben vaak een membrana elastica interna
- tunica media van de arterien is de dikste laag en bevat veel gladde spieren
- Grote arterien hebben een membrana elastica externa
venen:
- Hebben een dunnere wand
- Hebben een duidelijk dunnere, minder spierige tunica media (meer bw ipv gladde spieren)
- Tunica adventitia vormt het grootste deel van de venenwand
- venen kunnen wandkleppen bevatten, arterien niet
- venen hebben geen membrana elastica interna of externa
(logischer als hij groter bloedvat vraagt aangezien hier meer over te vertellen valt dan bv arteriool)
7.1 bespreek de microscopische bouw van een musculeuze of ‘verdelings’ arterie
Een musculeuze arterie bestaat uit 3 hoofdlagen:
1. Tunica intima:
dit is de binnenste laag van de arteriewand en bestaat uit een enkele laag van endotheelcellen die de
binnenkant van de arterie gaat bekleden. Rondom het endotheel bevindt zich het subendotheliale
bindweefsel, en daaronder ligt de membrana elastica interna die vaak geplooid is met vele bochten.
2. Tunica Media:
dit is de middelste laag, en is bij de musculeuze arterie een dikke laag, goed ontwikkelde spierlaag die
voornamelijk bestaat uit circulair verlopende gladde spiercellen. De laag bevat ook extra cellulair
matrix, geproduceerd door de gladde spiercellen. In het ECM vinden we glycosaminoglycanen,
collageen en elastinevezels terug. De tunica media loopt tot aan de membrana elastica externa
(deze laag is bij elastische arterie dunner, bevat minder spier en meer elastine vezels)
3. Tunica adventitia:
dit is de buitenste laag, die bestaat uit longitudinale vezels die naar buiten losser worden