1. Doel – Basic concepts
Het doel van Bedrijfsinformatica is om de communicatie tussen bedrijfsleiding en informatici te versterken,
waardoor er minder fouten gemaakt worden.
Return on IT versus IT investment paradox: hoge investeringen in IT zorgen niet voor een hogere
productiviteit. Het is een kwestie van goede afspraken van zaken te maken.
Business IT alignement: continu proces van strategische integratie van informatietechnologie met een bedrijf.
Het helpt de bedrijfsdoelen te bereiken, de klantervaring te verbeteren en IT-kosten te verlagen terwijl het
bedrijf een hoger rendement op zijn investeringen realiseert.
ó goede communicatie vereist om succes en harmonie te bereiken (80 tot 90 % van IT-projecten mislukken). Een
goed verloop is afhankelijk van een goede werking tussen IT en business. Geert Noels: ‘IT is one of the major force
in our economy.’
Vereisten voor een Enterprise/IT-architect (uittekenen hoe een bedrijf moet werken):
Kennis en inzicht over wat de onderneming doet.
Kennis over de strategie van de onderneming.
Bijhouden wat de actuele ontwikkelingen zijn zowel qua business als IT.
Business en technologische terminologie kennen (1 van de doelen van bedrijfsinformatica).
Steeds communiceren.
Hardware:
Een verzamelnaam voor alle fysieke onderdelen van een computer (je kan het fysiek aanraken).
=> Input is informatie/data in de computer zetten via toetsenbord/ muis/ harde schijf/ netwerk.
=> Output is wanneer de computer informatie teruggeeft/ alle data die wordt teruggegeven/doorgeven
via harde schijf/ printer/ internet/ geluidsprekers/ scherm.
=> Computer/motherboard:
CPU: voert alle taken uit, vb. berekeningen / opzoeken op internet door bericht te sturen naar data
Interne geheugen/buses (**):
(1) ROM is een geheugen waarbij gegevens alleen gelezen kunnen worden vb. BIOS (= een
geheugen met basis commando’s en gegevens om de computer te laten werken, GEEN
WINDOWS). De data kan niet uitgeveegd worden indien er geen stroom is. Capaciteit (=
hoeveelheid max. data) is laag.
(2) RAM is een geheugen waarbij gegevens gelezen en geschreven kunnen worden. De
data kan uitgeveegd worden indien er geen stroom is. Capaciteit (= hoeveelheid max.
data) is laag.
Externe geheugen: vb. harde schijf, USB etc. De data kan niet uitgeveegd worden indien er geen
stroom is. Capaciteit (= hoeveelheid max. data) is hoog. Dit zijn ook de externe opslagruimtes in
output of input.
(*) harde schijf (en touchscreen) kan zowel output als input zijn.
(**) internal busses, ook wel internal data busses, verbinden interne componenten van een computer
Software:
Een opeenvolging van opdrachten geformuleerd door programma’s. Deze gegevens/data of
programma's worden gebruikt om computers te bedienen. Programma’s geschreven in programmeertaal
worden omgezet in machinetaal (= een symbolische instructiecodes meestal in binaire vorm, gebruikt om
bewerkingen en gegevens in een machine voor te stellen), vb. Excel maar Python is data (tot wanneer het
gecompileerd wordt).
De programma’s kunnen verdeeld worden in modules, enkele voordelen:
(1) Hergebruik en samenwerking tussen personen, vb. ‘bepaalde modules overnemen/
kopiëren.’
, (2) Foute module makkelijker opsporen, vb. ‘je kan geen document openen in Excel of Word dan
is er een fout in deze module.’
(3) Opsplitsing in sub-problemen waardoor het efficiënter en herbruikbaar is binnen dezelfde
maker, vb. ‘document openen’.
Programmeertalen geven betekenis aan codetaken op een gestructureerde wijze via het gebruik van:
Sequenties, Selecties of Iteraties.
Database:
Een programma die gegevens en informatie verzameld en behoort tot de ‘software-klasse’, vb. databank in
Excel
Network:
Een middel om te communiceren en data uit te wisselen tussen computers binnen een bepaald domein.
Servers:
Grote machines zonder scherm of keyboard die enkel dienen voor de berekening en stockering van data.
Internet:
Grootste internetwerk, een externe netwerk.
Computer infrastructuur:
Types computers
(1) Mainframes, grote/eerste computers
(2) PersonalComputers (voor gewone mens) en Client server (voor bedrijven), verbonden met
mainframe
(3) Cloud, een virtuele computer die draaien op soort mainframes. Deze wordt door mens gehuurd
bij een maker, vb. Amazon
Processen:
Een opeenvolging van stappen/ handeling m.a.d. het generen van een product of een dienst.
Informatiesysteem:
Een combinatie van IT hardware, software, processen en personen die het gebruiken.
2. Algoritme
Een methode om een probleem op te lossen in een opeenvolging van opdrachten vertrekkend van een gegeven
beginsituatie tot een bepaald doel leiden binnen een eindige tijd zonder dubbelzinnigheid. Ook wel woorden
omzetten in een schema.
Het kan voorgesteld worden door:
Organigram of Flow Chart: een schema met basisfiguren met instructies verbonden door pijlen.
Nassi-Schneidermann-diagram: blokdiagram
PseudoTaal/PsuedoCode
Het is uitgevonden door d’Al-Khwärizmï, een wiskundige geboren in Khwarezm (Oezbekistan 780) – Bagdad
(Abbaside 850). Hij heeft boek “The Compendious Book on Calculation by completion and balancing”. Deze wordt
beschouwd als de basis algebra (al-jabr = hereniging van gebroken delen) en is een compilatie van de regels van
Babilonië (1600 v.C.) / Euclides (300 v.C.) / Eratostenes (200 v.C. priemgetallen) voor het oplossen van
vierkantsvergelijkingen.
Stappen bij het programmeren:
1. Probleemdefinitie: Wat wordt er verwacht, welke beginsituatie, welke resultaten etc.
2. Oplossingsstrategie: de keuze van oplossingsmethode en van de gegevensvoorstelling.
a. Top-down: 1 groot probleem verdelen in kleineren.
b. Bottom-up: deelproblemen samenvoegen tot 1 probleem.
3. Voorstelling van Algoritme: woorden omzetten in schets, vb. ‘Flow Chart’
4. Programmeren: uitgewerkte algoritme vertaald in de gekozen programmeertaal, in dit geval Python.
5. Compileren: vertaling naar machinetaal (1-0), waardoor syntax-fouten opgespoord worden.
, 6. Testen: resultaten zijn logisch en hetzelfde bij een andere uitwerking + test ook alle verschillende
gevallen
7. Documenteren: informatie die een persoon kan helpen bij het begrijpen, aanvullen of veranderen van
een programma.
8. Onderhoud: eventueel programma aanpassen (wijziging vermelden in documentatie).
Basisfiguren – Organigram:
! B = Booleaanse vraag
2.1. Algoritmevoorstelling: sequentie
Sequentie is een opeenvolging van opdrachten zonder
onderbrekingen
2.2. Algoritmevoorstelling: selectie / voorwaardelijke opdracht
If then
Fout: actie overslaan
Juist: actie uitvoeren
If then else
Juist: actie 1 uitvoeren
Fout: overige dus actie 2 uitvoeren
Case
Herhaling van ‘if then’ dus meerdere
mogelijkheden.
2.3. Algoritmevoorstelling: iteratie/ loop/ herhalingsopdracht