Hoofdstuk 1 – Inleiding
1. Uit welke hoek drong de enigszins neutrale term ‘integratie’ binnen in het politieke jargon
van Europa?
De term kwam vooral vanuit het Amerikaanse economische en bestuurskundige jargon Europa
binnen. Het neutrale woord was bruikbaar omdat begrippen als ‘federatie’ en ‘eenwording’
meteen politieke weerstand opriepen.
2. Heeft een federatie of Bondsstaat alleen centralistische kenmerken of spelen ook
andere factoren een belangrijke rol?
Een federatie is niet alleen centralistisch. De bevoegdheden worden verdeeld tussen een
centrale overheid en de deelstaten. Zowel eenheid als regionale autonomie en verscheidenheid
blijven dus belangrijk.
3. Na het Schumanplan was er sprake van een explosie aan theorievorming. Welke rol
speelden respectievelijk Europa en Amerika?
Europa leverde vooral de politieke praktijk, bestuurders en ervaringen met integratie.
Amerikaanse wetenschappers probeerden deze ontwikkeling vervolgens met algemene
politicologische theorieën te verklaren.
4. Waarop was de theorie van het functionalisme van David Mitrany gebaseerd?
Mitrany wilde internationale conflicten verminderen door landen praktisch te laten
samenwerken op concrete terreinen, zoals vervoer, energie en economie. Succesvolle
samenwerking zou ervoor zorgen dat mensen hun vertrouwen steeds meer op internationale
organisaties richtten.
5. Waarin verschilde het neofunctionalisme van het functionalisme? Wat was de
‘expansieve logica van integratie’?
Neofunctionalisten legden meer nadruk op regionale instellingen en bewuste politieke sturing.
Met de expansieve logica of het spill-over-effect bedoelden zij dat integratie op één terrein
vanzelf druk zou veroorzaken om ook aangrenzende terreinen te integreren.
6. Wat is het verschil tussen ‘negatieve’ en ‘positieve’ integratie?
Negatieve integratie betekent het verwijderen van nationale handelsbelemmeringen, zoals
invoerrechten en quota. Positieve integratie betekent het opbouwen van gemeenschappelijk
beleid, regels en Europese instellingen.
7. Vanuit welke drie perspectieven moet het Europese integratieproces worden benaderd?
Er moet worden gekeken vanuit:
1. het nationale en intergouvernementele perspectief;
2. het supranationale en institutionele perspectief;
, 3. het internationale of Atlantische perspectief.
Zo worden zowel nationale belangen, Europese instellingen als internationale
machtsverhoudingen meegenomen.
8. Wanneer en door welke gebeurtenis is ‘het Europa van de historici’ geboren?
Dit ontstond vooral vanaf de jaren zeventig en tachtig, toen nationale en Europese archieven
door de dertigjaarregel toegankelijk werden. Historici konden de integratiegeschiedenis toen op
originele bronnen baseren.
9. Wat zijn de belangrijkste kenmerken van de ‘klassieke’ school?
De klassieke school beschreef de integratie als een idealistisch en bijna vanzelf voortschrijdend
proces. Zij legde veel nadruk op de ‘vaders van Europa’, supranationale instellingen en de
successen van de Europese eenwording.
10. Waardoor ontstond sinds de jaren zeventig een omslag in de historiografie? Is
‘revisionistisch’ een juiste term?
De omslag ontstond door het openen van archieven, grotere historische afstand en kritiek op het
traditionele succesverhaal. De term ‘revisionistisch’ is maar gedeeltelijk juist: deze historici
wezen Europese integratie niet af, maar besteedden meer aandacht aan nationale belangen,
machtspolitiek en mislukkingen.
Hoofdstuk 2 – Europa tijdens het interbellum
1. Waarom begint de geschiedenis van de Europese integratie in het interbellum?
In deze periode ontstonden voor het eerst uitgewerkte Europese bewegingen, diplomatieke
plannen en voorstellen voor Frans-Duitse verzoening. Vooral het Briandmemorandum vormde
een duidelijke voorloper van de naoorlogse integratie.
2. Door welke factoren bleef de Volkenbond een onmachtig instituut?
De Verenigde Staten werden geen lid, besluiten moesten meestal unaniem worden genomen en
de Volkenbond beschikte niet over eigen militaire machtsmiddelen. Nationale belangen bleven
bovendien belangrijker dan internationale samenwerking.
3. In welke conflictsituatie lag ook na de Eerste Wereldoorlog de kern van het Europese
probleem?
De kern lag in de Frans-Duitse tegenstelling. Frankrijk zocht veiligheid, terwijl Duitsland
gelijkberechtiging wilde en zich verzette tegen de bepalingen van het Verdrag van Versailles.
4. Hoe moeten we het pan-Europese ideaal van Coudenhove-Kalergi plaatsen tussen de
totalitaire ideologieën? Hoe stond hij tegenover de parlementaire democratie?
Paneuropa vormde een alternatief voor communisme, fascisme en extreem nationalisme.
Coudenhove-Kalergi verdedigde de Europese beschaving, maar zijn opvattingen waren elitair: hij
vertrouwde eerder op leiding door een Europese elite dan op volledige parlementaire
massademocratie.