Inhoudsopgave
Seminar 1981 General microbiology. ...................................................................................................................... 2
Seminar 1995 Microbiology of caries. ................................................................................................................... 10
Seminar 1990 Oral microbiology. .......................................................................................................................... 21
Seminar 0219 Immunologie. ................................................................................................................................. 34
Seminar 2007 Immunologie en ontsteking. .......................................................................................................... 47
Seminar 2001 Saliva & oral hygiene. ..................................................................................................................... 54
,Seminar 1981 General microbiology.
Microbiologie = de tak van de wetenschap die zich bezighoudt met micro-organismen
(bacteriën, schimmels en virussen).
Het onder controle krijgen van cariës vóór het vullen is belangrijk om te voorkomen dat
vullingen steeds vervangen moeten worden en om de zorg voor paBënten te verbeteren.
Taxonomie is de tak van de wetenschap die zich bezighoudt met classificaBe. In de biologie
betekent dit de systemaBsche classificaBe/categorisaBe van organismen in geordende
groepen.
Deze systemaBek is gebaseerd op een hiërarchische classificaBe, elke taxonomische eenheid
wordt een taxon genoemd.
Domein à rijk à stam à klasse à orde à familie à geslacht à soort.
Het domein is gebaseerd op geneBsche verwantschap. Organismen worden ingedeeld in drie
domeinen: Archaea, Bacteria en Eucarya. De domeinen Archaea en Bacteria vormen samen
de prokaryoten. Virussen worden niet opgenomen in deze classificaBe omdat zij uniek zijn,
het zijn acellulaire en metabolisch inacBeve organismen.
Door de geschiedenis heen zijn verschillende aanpassingen geweest in de taxonomische
indeling m.b.t. de rijken. De vijf- en zes-rijken-systemen zijn het meest gebruikt:
- Vijf-rijken-systeem (WhiRaker, 1969): systeem bestaat uit vijf rijken. Monera,
Protozoa, Plantae, Fungi en Animalia.
- Zes-rijken-systeem (Woese, 1977): systeem bestaat uit zes rijken. Bacteria, Archaea,
Protozoa, Plantae, Fungi en Animalia.
Bacteriën worden geclassificeerd binnen het rijk Monera, het enige rijk dat prokaryote
organismen bevat. Bacteriën zijn eencellig en aseksueel. Een bacterie kan ongeveer 10 keer
groter zijn dan een virus. Een virus 10 keer groter dan een eiwit, een eiwit 100 keer groter
dan een atoom.
Zoogdiercellen zijn eukaryote cellen met een grooRe van ongeveer 10-100 micrometer.
Zowel zoogdiercellen als prokaryote cellen hebben een plasmamembraan dat bestaat uit
fosfolipiden. Het membraan hee[ als belangrijkste funcBe het selecBef doorlaten en acBef
transporteren van moleculen in en uit de cel.
Beide bevaRen ook ribosomen, daar vindt eiwitsynthese plaats.
Zoogdiercellen bevaRen organellen als mitochondriën. Lysosomen, endoplasmaBsch
reBculum en Golgiapparaat, deze structuren ontbreken in prokaryote cellen.
Ook het DNA verschilt, bij prokaryoten bestaat het genoom/chromosoom uit één circulair
DNA-molecuul zonder kernmembraan. Eukaryote cellen hebben een echte celkern met
meerdere chromosomen omgeven door een kernmembraan.
De bacteriële cel hee[ naast het plasmamembraan nog twee extra lagen; de celwand en het
kapsel. De celwand gee[ stevigheid aan de cel. Het is poreus en doorlaatbaar voor stoffen
met een laag moleculair gewicht. De celwand bevat pepBdoglycaan. Het kapsel ligt rond de
,celwand en bestaat uit polysachariden. Het beschermt de bacterie tegen fagocytose en helpt
bij adhesie aan oppervlakken.
Bacteriën kunnen flagellen en pili bevaRen. Flagellen zijn filamenten die funcBoneren als een
propeller en zorgen voor beweeglijkheid van de bacterie. Pili zijn fijne haarachBge
filamenten, korter dan flagellen, die betrokken zijn bij hechBng van de bacterie aan
receptoren van een bepaald substraat.
Een belangrijk onderdeel van taxonomie is de correcte benaming van organismen. De naam
bestaat uit de laatste twee taxonomische niveaus, geslacht en soort. Het geslacht begint
alBjd met een hoofdleRer, de soortnaam wordt volledig in kleine leRers geschreven en beide
namen worden cursief geschreven. Na de eerste vermelding mag de geslachtsnaam worden
afgekort (H. sapiens en S. mutans).
GramnegaBef = dunne pepBdoglycaanlaag
GramposiBef = dikke pepBdoglycaanlaag
GramnegaBeve bacteriën hebben naar de dunne pepBdoglycaanlaag ook een
buitenmembraan van fosfolipiden dat met lipoproteïnen aan de pepBdoglycaanlaag
verbonden is. Op dit buitenmembraan verbinden zich lipopolysachariden. Deze kunnen
loskomen en toxiciteit veroorzaken in het gastorganisme, daarom worden ze ook wel
endotoxinen genoemd. Toxiciteit kan koorts veroorzaken en in ernsBge gevallen shock.
Bacteriën kunnen verschillende vormen en rangschikkingen hebben. Deze staan los van
elkaar.
Vormen:
- Coccus: bolvormig
- Bacillus: staafvormig
- Spirocheten: spiraalvormig
Rangschikkingen:
- Diplo: per twee
- Strepto: kegngvormig
- Staphylo: druiventrosvormig
- Palissaden: naast elkaar gerangschikt als een muur.
Bacteriën reproduceren zich door binaire deling, waarbij één moedercel zich deelt in twee
dochtercellen. Dit leidt tot een logaritmische groei. Eén bacterie kan na vier generaBes 16
bacteriën vormen.
, De bacteriële groeicyclus bestaat uit 4 fasen:
1. Lagfase: trage groei omdat bacteriën zich nog aanpassen aan hun omgeving. Veel
metabole acBviteit maar nog geen celdeling.
2. Logfase: groei verloopt exponenBeel, er is snelle celdeling.
3. StaBonaire fase: minder deling door tekort aan voedingsstoffen en zuurstof en
ophoping van toxische afvalstoffen.
4. Afstervingsfase: evenveel nieuwe als dode cellen, maximale dichtheid is bereikt.
Uiteindelijk stopt de groei.
Factoren die bacteriële groei beïnvloeden zijn temperatuur, pH, beschikbaarheid van
voedingsstoffen en beschikbaarheid van zuurstof.
Bacteriën kunnen ook worden ingedeeld volgens hun vermogen om te leven in een
zuurstofrijke of zuurstofarme omgeving:
- Obligaat/strict aeroob: zuurstof noodzakelijk
- Obligaat anaeroob: groeit niet in aanwezigheid van zuurstof
- FacultaBef anaeroob: groei met of zonder zuurstof
- Microaerofiel: groeit het beste bij lage zuurstofconcentraBe
- Capnofiel: groeit het best in een CO2-rijke atmosfeer.
Het bacteriële chromosoom bestaat uit dubbelstreng circulair DNA.
DNA-replicaBe is het proces waarbij geneBsch materiaal wordt gekopieerd vóór de celdeling:
De dubbele helix wordt geopend à het enzym helicase bindt aan het DNA en opent de
strengen verder à de plaatsen waar de strengen gescheiden worden, heten replicaBevorken
à deze bewegen in tegenovergestelde richBngen à DNA-polymerase volgt direct achter
helicase en maakt nieuwe DNA-strengen à elk oorspronkelijke streng dient als template à
de replicaBe eindigt wanneer de replicaBevorken wanneer ze het einde van het DNA-
molecuul bereiken.
Elke dochtercel ontvangt één oude streng en één nieuwe streng.
PCR is een techniek waarbij een specifiek DNA-fragment herhaaldelijk wordt gekopieerd.
Stappen in PCR:
1. DenaturaBe: dubbelstrengs DNA à enkelstrengs, 94 °C
2. Annealing/hybridisaBe: primers hechten zich aan het doel-DNA, 55 °C
3. ElongaBe/synthese: DNA-polymerase (Taq-polymerase) en nucleoBden (dNTP’s)
worden toegevoegd, 72 °C
Dit proces wordt 25-30 keer herhaald waardoor miljoenen kopieën ontstaan.
Hierna worden de DNA-fragmenten onderzocht via agarosegelelektroforese. De gel is
aangesloten op een baRerij waardoor er stroom door de gel loopt. DNA is negaBef geladen
en beweegt naar de posiBeve pool, grotere fragmenten bewegen trager. Aan het einde van
dit proces wordt kleuring toegevoegd en worden de DNA-banden zichtbaar onder Uv-licht.